Moed (deugden 4)
Wie durft er echt zichzelf te zijn.
Wie durft er te zijn zoals hij door God is bedoeld,
in plaats van wat de tijd, de mode en het goed fatsoen voorschrijft.
Christus navolgen vraagt moed.
Hij laat ons onszelf kennen en onszelf zijn.
Met Hem zijn wij kinderen van God.
In Hem zijn alle mensen broeders en zusters van elkaar.
Ook de ander is een kind van God.
Hem aanvaarden en respecteren zoals hij is, vraagt moed.
Durf ik mijn medemens die zo anders is, werkelijk lief te hebben?
Johannes 3,14-21
“Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld.” (Joh 3,18)
Christus is niet gekomen om te oordelen.
Hij is gekomen om ons te redden.
Als wij in Hem geloven, zijn wij gered.
Als wij in Hem geloven, hebben wij Hem lief.
Als wij Hem liefhebben, hebben wij onze naaste lief.
“Iedereen die liefheeft,
is een kind van God en kent God.” (1 Joh 4,7)
Wie niet gelooft en niet lief heeft, sluit zichzelf buiten
en veroordeelt daarmee zichzelf.
Wie leeft in liefde en waarheid, wandelt in het licht.
Zijn daden gaan van God uit.
Het zijn daden van liefde.
Zij brengen licht in de duisternis.
2 Kronieken 36,14-16.19-23
Israël wordt bevrijdt uit de ballingschap.
Het volk keert terug naar Jeruzalem
en gaat daar opnieuw een tempel bouwen voor God.
Het is God zelf die hen verlossing brengt
en terugvoert uit de ballingschap.
Ook in de vreemde hebben zij Gods trouw ervaren.
Hij alom aanwezig en schenkt overal zijn liefde.
Maar zij zijn Jeruzalem niet vergeten.
Hun droom gaat in vervulling.
“De Heer bracht Sions ballingen terug:
het was alsof wij droomden.” (Psalm 126,1)
Wellust (hoofdzonden 5)
De schepping is vol schoonheid.
Al het goede en schone is er om in vrijheid van te genieten.
Het genot draagt bij aan ons menselijk geluk.
Wat zijn de grenzen van het genieten?
Wanneer wordt genieten een obsessie?
Wanneer verworden wij tot slaaf van het genot,
verliezen wij onze vrijheid
en zijn we niet meer in staat het goede te doen?
Genieten kan ten koste van anderen gaan
en hen tot middel degraderen.
Dan maken we elkaar niet gelukkig maar ongelukkig.
Kennis (gaven van de Geest 5)
Wij leren op school. Wij leren van het leven.
Sint Jozef heeft zijn weg moeten vinden
als dienaar van het heilswerk van Jezus,
die hem als een zoon werd toevertrouwd.
Evenals Sint Jozef leren wij door de Geest, die in ons woont.
Hij geeft ons kennis van goed en kwaad.
Hij brengt ons tot verwondering.
en opent ons voor de schoonheid van de schepping.
“Gij doet hem het werk van uw handen beheren
en alles hebt Gij aan zijn voeten neergelegd.” (Psalm 8,7)
Al het goede en schone is aan ons toevertrouwd.
Hij heeft ons aangesteld
als de beheerder van zijn schepping.
Matigheid (deugden 5)
Wat en hoeveel heb ik zelf nodig.
Als ik mezelf vergeet,
vergeet ik ook de ander.
Als ik mezelf niet liefheb,
kan ik ook de ander niet liefhebben.
Als ik alleen maar aan mezelf denk,
denk ik niet aan de ander.
Heb ik voldoende en ben ik gelukkig
of moet ik nog meer?
Hoeveel schepping vraag ik voor mijzelf?
Is er na mij nog leven mogelijk op aarde?
Hoe ver gaat mijn verantwoordelijkheid?
Johannes 12,20-23
“Als de graankorrel niet in de aarde valt, blijft hij alleen;
maar als hij sterft, brengt hij vele vruchten voort.” (Joh 12,24)
Wij zijn zo gehecht aan het leven.
Al gaat onze hoop en verlangen uit naar het eeuwig leven,
wij weten wat we hebben en genieten van ons leven.
De toekomst is in nevelen gehuld.
Zij komt ons vreemd en onbekend voor.
Alleen als we durven los te laten, is er toekomst.
Alleen als wij zelf een stapje terug doen,
komt de ander tot bloei
en maakt hij ons gelukkig.