Geloof (deugden 1)
Het geloof is je gegeven, meestal via je ouders.
Zij leefden je het geloof voor.
Je groeit op en je geloof ontwikkelt zich.
Je leert te vertrouwen.
Het geloof vraagt om overgave:
je leven in Gods handen leggen.
Het geloof zet je aan tot daden: daden van liefde.
Het troost je en bemoedigt je,
maar het daagt je ook uit.
Het vraagt moed om het niet te verloochenen,
maar om het juist uit te dragen.
Geloven, je bent er nooit klaar mee.
Genesis 9,8-15
“Ik zet een boog in de wolken;
die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.” (Gn 9,13)
Zijn verbond van liefde met ons duurt eeuwig.
Nooit zal God hierop terugkomen.
Altijd weer kunnen wij op onze schreden terugkeren
en ons tot Hem richten.
Altijd staat Hij met open armen op ons te wachten.
Wij kunnen ons met elkaar verbinden
en elkaar vergeven.
Dat is onze weg naar God.
“Vergeef ons onze schuld
zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.”
1 Petrus 3,18-22
“Christus is eens voor al gestorven voor de zonden
om ons tot God te brengen.” (1 Pt 3,18)
Niet alleen met zijn leven,
ook met zijn lijden en sterven openbaart Jezus ons Gods liefde.
Zijn hele leven brengt ons bij God.
Hij is onze redding en verlossing.
Hij heeft het kwaad van de dood overwonnen
en de weg naar het eeuwig geluk voor ons geopend.
Zijn verrijzenis uit de dood
is ook onze weg naar eeuwig leven.
Met Hem worden wij eens opgenomen in het huis van de Vader.
Hebzucht (hoofdzonden 2)
Ik moet overleven.
Ik moet mijn toekomst veilig stellen.
Hoe meer ik bezit hoe onafhankelijker ik ben.
Waar houdt het op?
Mijn hebzucht kent geen grenzen.
Hoeveel zekerheid geeft materieel bezit?
Hoeveel zekerheid heb ik nodig?
Ons doodshemd heeft geen zakken.
“Verzamelt u geen schatten op aarde…,
maar verzamelt u schatten in de hemel…
Gij kunt niet God dienen én de mammon.
Daarom zeg ik u:
Weest niet bezorgd voor uw leven.” (Mt 6,19-20.24-25)
Hoop (deugden 2)
Wij hebben onze aardse verlangens:
de kleine hoop op verzadiging van onze lichamelijke behoeften.
We kennen ook de geweldige, ons leven dragende hoop op God,
het diep menselijke verlangen naar liefde en waarheid.
Iedere mens hunkert naar liefde
en is op zoek naar waarheid.
Wij allen hopen en verlangen naar het volmaakte geluk:
het ware leven, het eeuwig leven.
We kunnen ons er geen enkele voorstelling van maken.
Diep in ons leeft er een verlangen naar het ware leven,
wat het ook moge zijn.
Genesis 22,1-2.9-13.15-18
Voor joden, christenen en moslims is Abraham
hun vader in het geloof.
De God van Abraham is hun God.
Abraham is een vriend van God
en hij stelt heel zijn vertrouwen op God.
Op de roep van God antwoordt hij:
“Hier ben ik.” (Gn 22,1.11)
Hij geeft zich helemaal.
Hij stelt zich zonder voorwaarden beschikbaar.
Met het offer van zijn zoon Isaak is Abraham
tot het uiterste toe trouw en gehoorzaam aan God.
Abraham toont zich de ware gelovige.