Spring naar inhoud

Levend brood; 1 Kon 19,4-8; Ef 4,30-5,2; Joh 6,41-51

Jezus zegt ons: “Ik ben het brood des levens. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid.” Johannes schrijft uitvoerig over de broodvermenigvuldiging. Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit dit verhaal. Johannes vertelt niet alleen over het teken dat Jezus verricht, maar ook over de reacties van de mensen en over de uitleg van Jezus. Johannes loopt met dit uitvoerige verhaal vooruit op de avond voor het lijden en sterven van Jezus, het Laatste Avondmaal. Daar geeft Jezus ons het sacrament van de Eucharistie. Hier geeft Hij uitvoerig uitleg van de betekenis van de Eucharistie.

Wij mensen moeten eten en drinken om te leven. Zonder eten en drinken verliezen wij het leven. Dat weet Elia ook, maar hij ziet het niet meer zitten. Het verzet waar Elia mee te maken heeft, wordt hem teveel. Men is van plan hem te doden. Elia trekt zich terug in de woestijn om daar te sterven, om daar van de honger en de dorst om te komen. Dan komt er een engel met een koek en een kruik water. De engel spoort hem aan te eten en op reis te gaan. Zo krijgt Elia zijn krachten terug, krijgt hij weer moed en komt hij tot leven.

Jezus legt uit dat het niet alleen gaat om brood dat ons lichaam voedt en ons in staat stelt tot lichamelijke inspanningen. Mensen hebben ook behoefte aan brood uit de hemel, brood dat leven geeft aan de wereld, brood dat ons in staat stelt tot mentale inspanningen. Jezus maakt onderscheid tussen voedsel dat wij nodig hebben voor onze aardse leven en voedsel voor het eeuwig leven. Hij maakt onderscheid tussen het manna en het levende brood uit de hemel. Dit levende brood is Jezus zelf. Hij is het brood des levens. Dit levende brood voedt ons tot eeuwig leven.

Jezus Christus is ons een voorbeeld op onze weg van de liefde. Ons wordt gevraagd Hem na te volgen. Maar zo eenvoudig is dat ook weer niet. Wij zijn tekortschietende mensen. Wij hebben verlangens die ons afbrengen van de weg van de liefde. Vaak zijn wij op onszelf gericht in plaats van gericht op de ander. Het kost ons moeite en inspanning om de weg van Jezus te gaan. Het kost ons energie om zijn leerlingen te zijn. Energie verkrijgen we door te eten en te drinken. Dat geldt voor de energie nodig voor lichamelijke inspanningen. Dat geldt ook voor de energie nodig voor mentale inspanningen. Dat zien we ook bij Elia. Hij had energie nodig om veertig dagen en nachten te kunnen lopen, maar hij had vooral ook mentale energie nodig om het leven weer aan te kunnen.

Jezus geeft een grote menigte te eten. Zij hebben voedsel nodig om bij Hem te kunnen zijn. Hij laat brood en vis uitdelen. Maar Jezus gaat nog een stap verder. Jezus beloofd de mensen ook zichzelf te geven als voedsel. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Jezus loopt hier vooruit op de dingen die nog zullen gebeuren. Jezus zal zijn leven geven voor de redding en de verlossing van allen. Hij zal zich voor ons overleveren als offergave en slachtoffer. Elke keer als wij de Eucharistie vieren beleven we dit offer opnieuw.

Door deel te nemen aan de Eucharistie ervaren wij dat Jezus zich aan ons geeft als levend brood. Door te luisteren naar de Bijbellezingen horen we God tot ons spreken. Zo worden we gevoed door zijn Woord. Zo zijn wij met Hem in gesprek. Het levende brood dat Jezus ons geeft, geeft ons niet alleen eeuwig leven. Dit levende brood geeft ook de energie nodig voor de inspanningen die passen bij onze christelijke wijze van leven. Het levende brood maakt ons tot nieuwe mensen. Het stelt ons in staat ook onszelf als offergave aan te bieden. Doordat het levende brood ons deel doet zijn van Jezus Christus ondergaan wij een verandering. Zo worden wij, wat wij eten. Amen.

Eenheid en vrede; Ef 2,13-18; Mc 6,30-34

Vorige week hoorden we hoe de twaalf uitgezonden werden om te prediken dat men zich moest bekeren. Nu keren zij terug bij Jezus en brengen zij verslag uit. Nu worden ze door Marcus apostelen genoemd. Hun uitzending heeft hen tot ambtsdragers gemaakt. Het woord apostel betekent gezondene, iemand die een boodschap overbrengt. Jezus nodigt hen uit om wat te rusten en wat te eten. Ze gaan in de boot naar een eenzame plek. De stilte en de rust geven de gelegenheid om te bezinnen. Na wat de apostelen allemaal hebben gedaan, is het goed dat ze daar nog even bij stilstaan, dat ze nog eens rustig nadenken over wat er gebeurd is.

Ook voor ons is dat belangrijk. Het is goed om niet alleen bezig te zijn, maar om ook de tijd te nemen voor bezinning, om na te denken over ons leven en zo ook contact te maken met God. In de rust is er ruimte voor God. In het bezinnen over de essentie van ons leven is God aanwezig. Het is vakantietijd, een tijd van rust en bezinning. De vakantietijd kun je op vele manieren inhoud geven. Mensen die lichamelijke arbeid verrichten, willen wel eens lekker lui op het strand liggen of op een terras zitten. Mensen die veel met hun hoofd bezig zijn hebben vaak behoefte om in de vakantie te bewegen, te fietsen, te wandelen of te zwemmen. Je kunt je vakantie natuurlijk ook overladen met activiteiten. Ook activiteiten kunnen ontspannend zijn, maar je loopt natuurlijk ook het risico moe van vakantie terug te komen. Vakantie vraagt ook het juiste evenwicht zoeken.

We lezen bij Paulus over twee werelden: dit zijn de joden en de heidenen, Gods uitverkoren volk en de anderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de christenen uit het Jodendom en uit het heidendom. Christus Jezus heeft deze scheidsmuur neergehaald. Mensen bouwen voortdurend muren om anderen buiten te sluiten. Naast de fysieke muren zijn er allerlei andere manieren van uitsluiting. Bijvoorbeeld door wetten en procedures. Ook onze omgangsvormen, kunnen uitsluiting veroorzaken. Hierdoor behoren anderen niet tot ‘ons soort mensen’. Christus Jezus haalt de scheidsmuur neer. Hij brengt de vrede. Hij maakt twee werelden één. Uit de verschillende mensen maakt Hij één nieuwe Mens. Zijn vrede is er voor alle mensen. Allen worden verenigd in de Kerk, in de gemeenschap van Christus, Allen krijgen door Hem toegang tot het heil, toegang tot God.

Mensen bouwen niet alleen muren om zich heen. Soms zijn er ook muren in onszelf, is sprake van een innerlijke verdeeldheid. Onze samenleving is gefragmenteerd. We maken deel uit van verschillende groepen die geheel los van elkaar staan. Wij hebben ons gezin en onze familie. Wij hebben ons werk, onze vriendenkring, onze buren. We zijn lid van verenigingen. We gaan naar de kerk. Vaak is er nauwelijks overlap tussen al die groepen waartoe we behoren. Dat kan met zich meebrengen dat we zelf ook gefragmenteerd raken. Op ons werk zijn we anders, dan thuis of bij vrienden. En daar zijn we anders dan in de kerk et cetera. Zo kunnen er in onszelf ook muren staan die afgebroken moeten worden. Door ons met Jezus Christus te verbinden, door zijn leerling te zijn, komen tot eenheid in onszelf, ontstaat er evenwicht en vrede in onszelf Paulus schrijft dat Jezus onze vrede is. Dat is leven in vrede met de wereld om ons heen én leven in vrede met onszelf.

De twaalf leerlingen werden door hun uitzending apostelen. Wij zijn bij ons Doopsel gezalfd tot koningen, profeten en priesters. Daarmee hebben ook wij een zending in deze wereld gekregen. Als leerlingen van Jezus is het onze zending om leerlingen te maken. Daarvoor is het nodig dat wij als leerling een duidelijke identiteit hebben. Dat we mensen uit één stuk zijn, mensen zonder interne verdeeldheid, mensen die in vrede met zichzelf leven.

De vakantietijd is een uitgelezen kans om hieraan te werken, om de rust, de eenheid en de vrede in onszelf en bij elkaar te vinden. Jezus is onze herder. Hij leidt ons en wijst ons de weg. Hij geeft houvast. Wij mogen ons aan Hem toevertrouwen. Hij geeft ons rust. Als zijn leerlingen gaan wij op pad, niet alleen in de vakantie, maar alle dagen van ons leven. Amen.

Uit onverwachte hoek; Ez 2,2-5; 2 Kor 12,7-10; Mc 6, 1-6

Vaak lopen de dingen geheel anders dan we ons hadden gedacht. Onverwachte gebeurtenissen geven soms een geheel nieuwe wending aan ons leven. Plotseling dienen zich onvermoede mogelijkheden aan. Plotseling ontdekken we onvermoede mogelijkheden in onszelf. Hoe gaan we daar mee om? Sluiten wij ons ervoor af of gaan we erop in. Durven we het aan nieuwe wegen in te slaan of houden we vast aan het vertrouwde pad om te weten waar aan toe zijn met ook de bekende problemen en vervelende kanten.

Openstaan voor het onverwachte. Dat geldt voor ons luisteren én voor ons spreken. Het geldt voor ons ervaren én voor ons handelen. We horen onverwachte dingen en we hebben onverwachte ervaringen. Wat doen we daarmee? Ook in ons spreken en ons handelen kunnen zich onverwachte wegen voordoen. Durven we die te betreden? Wij zijn een missionaire parochie. Voor gelovigen die missionair willen zijn, zijn dit belangrijke vragen.

Paulus schrijft in zijn brief over de kracht van de zwakte: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Het gaat er niet om de ander met kracht van argumenten te overtuigen. Ons eigen zoeken, twijfelen en gelovig stamelen zullen onze gesprekpartner eerder tot nadenken brengen dan stevige leerstellige argumenten en inzichten. Ook Jezus ging er in Nazareth niet met volle kracht tegenaan. Hij genas een klein aantal zieken die Hij de handen oplegde. En Hij ging rond door de dorpen in de omtrek. Daar waar dat kon, gaf Hij de mensen vertrouwen.

Geloven is niet een kwestie van zeker weten hoe het precies zit. Geloven is vooral een kwestie van durven te vertrouwen. Geloven is leven in het vertrouwen dat God ons liefheeft, leven in het vertrouwen dat mensen van elkaar houden en over het algemeen het beste met je voor hebben. Onze eigen zwakheid onder ogen zien betekent dat we weten dat we elkaar nodig hebben, dat we elkaar zoeken om ons geloof met elkaar te delen, om samen in de sacramenten en de liturgie de liefde van God te ervaren.

Zo scheppen we situaties waarin het onverwachte kan gebeuren. Gods Geest waait waar Hij wil. Hij komt uit onverwachte hoek. Juist als wij zwak zijn staan we daarvoor open. Als wij vanuit onze eigen zwakheid naar buiten treden zijn we in staat op uitnodigende en gastvrije wijze onze medemensen tegemoet te treden. De heilige Geest zal ons de woorden geven die nodig zijn. Hij zal ons influisteren wat we moeten doen. Wij zullen onszelf verbazen: Waar heb ik het vandaan? Dan zullen de mensen ervaren en weten – evenals bij Ezechiël – dat wij onze waarheid, onze liefde en ons geluk als een geschenk ervaren en daarin graag anderen laten delen. Amen.

Caritas is genade; 2 Kor 8,7.9.13.15

Paulus roept de gemeente van Korinthe op geld in te zamelen voor de gemeente van Jeruzalem. In vier van zijn brieven schrijft hij over een collecte die hij organiseerde voor de arme gelovigen in Jeruzalem. In het boek Handelingen wordt deze collecte twee keer genoemd.

Wat is er aan de hand? De economische situatie in Jeruzalem is niet rooskleurig. Hoge belastingen en de politiek instabiele situatie maken het leven zwaar. Er is veel armoede. Bovendien lijdt de Kerk onder verdrukking. Hierdoor is het leven voor de volgelingen van Jezus extra moeilijk. Paulus roept op tot onderlinge solidariteit onder de christenen. Er speelt nog meer. Er is sprake van enige spanning tussen de verschillende christelijke leiders, vooral over de vraag of de heidense bekeerlingen niet besneden zouden moeten worden, zoals ook de Joodse christenen besneden zijn. De integratie van heidenen in de Joodse gemeenschap van christenen verloopt niet zonder slag of stoot.

Voor Paulus is er veel aan gelegen aan te tonen dat het één gemeenschap van christenen is, dat alle christenen – Joden en Grieken – elkaar als broeders en zusters beschouwen. Het gaat bij Paulus om de gemeenschap, het welzijn en de solidariteit van de gehele christelijke gemeenschap. De collecte is daar een zichtbare uitdrukking van. Het gaat om meer dan het helpen van armen. De collecte wordt door Paulus gezien als een genadegave. De Nederlandse vertaling kent de woorden ‘liefdewerk’ en ‘liefdedaad’. In het Grieks staat hier het woord ‘charis’ wat ‘genade’ betekent.

De houding van gemeenschap en solidariteit is voor Paulus genade. De bron hiervan is de genade van Christus die zelf arm werd om zijn volgelingen geestelijk rijk te maken. Deelname aan de collecte is een gave van God. Het is een geestelijke zaak. Het is een eredienst aan God en een navolging van Jezus Christus. Je geeft niet alleen je geld, maar ook je hart. Het is een daad van liefde. Gods genade laat de gelovigen deelnemen aan een ‘economie van overvloed’, een economie die alle menselijke relaties binnen de christelijke gemeenschap verandert. Daar waar de heilige Geest werkt, gaat de portemonnee open.

In de tijd van Paulus was geheel belangeloos geven iets nieuws. Je gaf alleen aan anderen omdat je verwachtte ook iets terug te krijgen: voor wat, hoort wat. De christelijke economie van overvloed is geen vorm van socialisme. God geeft mensen materiële rijkdom. Rijkdom is geen kwaad. God wil deze mensen hiermee ook de rijkdom van vrijgevigheid geven. Geven aan een ander maakt een mens rijker. Voor Paulus bestaat er een nauwe band tussen geestelijke rijkdom en de bereidheid om je bezit te delen met wie dat nodig hebben. Het is niet de bedoeling dat wij door anderen te ondersteunen zelf in moeilijkheden raken. Het gaat om geven naar draagkracht. Er moet een zeker evenwicht zijn. Paulus roept op tot een eerlijke verdeling van het bezit. Hij verwijst hierbij naar het verhaal over het volk Israël, dat veertig jaar door de woestijn trekt. Als God hen te eten geeft met manna, krijgt ieder wat hij nodig heeft: niet te veel en niet te weinig.

Voor Paulus was het belangrijk te pleiten voor een inclusief christendom. Geen onderscheid tussen Grieken en Joden en geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onderlinge solidariteit bouwt een gemeenschap op.

In onze tijd staan we voor de uitdaging een wereldwijde gemeenschap op te bouwen. Alle mensen zijn er elkaars broeders en zusters. Dat vraagt een wereldwijde onderlinge solidariteit. Die wereldwijde solidariteit begint dicht bij huis. Ook een wereldwijde gemeenschap vraagt om een fijnmazige netwerk van verbindingen tussen mensen. Omkijken naar elkaar en zonder uitzondering voor elkaar klaar staan vraagt dat je elkaar in de ogen kijkt, dat je elkaar ziet als broeders en zusters. Wereldwijde solidariteit begint in je eigen straat. Amen.

Liduinalezing: Menselijke waardigheid

Op 8 april 2024 presenteerde het Dicasterie voor de Geloofsleer van het Vaticaan een document over menselijke waardigheid: Dignitas infinita (Oneindige waardigheid). De menselijke waardigheid heeft met alle aspecten van ons leven te maken, met ons leven als persoon en met ons leven samen met anderen. Het Conciliedocument Gaudium et Spes opent met de woorden: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.”

Vanaf het eerste begin hanteert de sociale leer van de Kerk het begrip menselijke waardigheid. De mens is geschapen naar het beeld van God. In deze zin zijn alle mensen gelijkwaardig en is er geen verschil tussen man en vrouw, arm en rijk en is er geen sprake van rangen en standen. In de loop van de geschiedenis is het begrip menselijke waardigheid een groeiende rol gaan innemen in het denken van de Kerk.

Door de eeuwen heen heeft de Kerk nagedacht over de inrichting van de samenleving. In 1891 sloeg paus Leo XIII met de encycliek Rerum novarum op dit gebied een nieuwe weg in. Hij had oog voor de snel veranderende samenleving en legde de basis voor een katholieke maatschappijvisie. Dit wordt gezien als het begin van de sociale leer van de Kerk. Deze derde weg naast het liberalisme en het socialisme werd in 1931 door paus Pius XI verder uitgewerkt.

In 1961 verliet paus Johannes XXIII het idee van de derde weg. Er is niet langer sprake van een eigen systeem. Iedere samenleving heeft het recht haar eigen keuzes te maken. Deze worden vanuit het gelovige sociale denken van de Kerk beoordeeld. Hierbij is de aandacht voor de menselijke waardigheid een belangrijk criterium.

In 1967 verbreedt paus Paulus VI met de encycliek Populorum progressio het blikveld van de Kerk tot de hele wereld. Hij pleit voor de ontwikkeling van de gehele mens en van alle mensen. Paus Johannes Paulus II zet het milieuvraagstuk op de kerkelijke agenda. Benedictus XVI zet deze lijn door en paus Franciscus schrijft de encycliek Laudato si’. Hiermee staat de zorg voor de schepping definitief op de agenda van de Kerk. De sociale leer van de Kerk is steeds in ontwikkeling en zal dit blijven om steeds weer te kunnen reageren op de voortdurend veranderende situatie in de wereld.

Personalisme
Paus Johannes XXIII introduceerde het begrip personalisme. Ieder mens is een persoon, een wezen begaafd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. De rechten van iedere mens zijn algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar. Het gaat om de waardigheid van alle mensen. Hij schrijft: “Een mens die in dwaling is vervallen, houdt niet op een mens te zijn. Hij verliest nooit zijn persoonlijke waardigheid en dat is iets waar altijd rekening mee moet worden gehouden.” Dit betreft ook mensen met afkeurenswaardige politieke ideeën en aanhangers van andere religies. Daarmee is het de basis voor tolerantie. Ook leert de Kerk: Heb de zondaar lief, maar haat de zonde. De zonde wordt afgewezen; de zondaar niet.

De hele mens
Paus Johannes Paulus II verbindt de sociale leer met de moraaltheologie. De menselijke waardigheid is hierin een verbindend element. Het gaat niet alleen om de waardigheid van iedere mens; het gaat ook om de waardigheid van heel de mens, om ziel én lichaam, om alle denken en doen en vanaf het eerste begin tot het laatste moment van het leven. Hij schrijft: “Het gaat om de mens in zijn volle waarheid en zijn gehele persoon. Het gaat niet om een abstracte mens, maar om de mens zoals hij is, de concrete, historische mens.”

Hiermee vormt de menselijke waardigheid in de moraaltheologie de basis voor het denken van de Kerk over zaken als levenseinde, voortplanting en seksualiteit. De menselijke waardigheid geeft hiermee ook richting aan het leven van de mens zelf. Het gaat ook om je eigen waardigheid.

Geen middel maar doel
In onze omgang met anderen mag de ander nooit een middel zijn. Iedere mens is altijd een doel. Dus we kunnen mensen niet zien als proefkonijn, als kanonnenvlees, als lustobject, als kostenpost, als productiefactor of als consument. Altijd moeten wij voor ogen hebben dat de ander een mens is met eigen rechten en plichten en met eigen verlangens en strevingen. De ander kan nooit ondergeschikt worden aan wat wijzelf verlangen en nastreven.

Dignitas infinita
De verklaring Dignitas infinita gaat over de menselijke waardigheid. Paus Franciscus benadrukt voortdurend “het primaat van de menselijke persoon en op de bescherming van zijn of haar waardigheid in iedere situatie”. De menselijke waardigheid is een wezenlijk aspect van het mens-zijn. Het is onvoorwaardelijke, onvervreemdbare en niet te verliezen waardigheid. Het is de waardigheid van iedere mens zonder enige uitzondering en het is de waardigheid die het hele leven van een mens betreft van de conceptie tot aan de dood.

De menselijke waardigheid wordt bedreigd door zijn moord, zelfdoding, genocide, doodstraf, verminking, marteling, prostitutie, vernederende werkomstandigheden, mensonterende gevangenissen en onnodige psychologische druk. Daarnaast zijn het armoede, oorlog, lijden van migranten, mensenhandel en moderne slavernij, seksueel misbruik, geweld tegen vrouwen en femicide (vrouwenmoord), abortus, draagmoederschap, euthanasie en hulp bij zelfdoding, marginalisatie van mensen met een handicap, gendertheorie, geslachtsverandering en digitaal geweld. Deze laatste dertien bedreigingen worden in de verklaring nader omschreven.

De menselijke waardigheid baseert de Kerk op drie overtuigingen. Ten eerste is de mens door God uit liefde naar zijn beeld en gelijkenis geschapen. (Zie: Gn 1,26) Het leven is een geschenk van God. Hij roept ieder van ons op Hem lief te hebben en broederlijk in vrede en gerechtigheid met onze medemensen samen te leven. God geeft iedere mens en heel de mens – ziel en lichaam – dit geschenk van waardigheid.

De tweede overtuiging ligt in de menswording van Jezus Christus. “In het mysterie van de Menswording bevestigde de Zoon van God de waardigheid van het lichaam en de ziel, die samen de mens vormen.” Door zich met iedere mens te verenigen bevestigt Hij met zijn menswording de oneindige waardigheid van iedere mens. Hij is gekomen “om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid”. (Lc 4,18) Hij verbindt zich met de geringsten: “al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan”. (Mt 25,40)

De derde overtuiging betreft de uiteindelijke bestemming van de mens. Onze waardigheid ligt niet alleen in onze oorsprong maar ook in onze bestemming: de gemeenschap met God, delend in zijn liefde en waarheid. “Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem; zo werkt de Heer die Geest is.” (2 Kor 3,18)

Met het toenemende belang van de menselijke waardigheid in het denken van de Kerk wordt de liefde het belangrijkste criterium in het denken van de Kerk over het menselijk bestaan. Paus Franciscus maakt duidelijk dat het denken over menselijke waardigheid altijd zowel de persoon als de gemeenschap betreft. De ethiek van het persoonlijk leven en de sociale ethiek kunnen niet los van elkaar gezien worden. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille met de menselijke waardigheid als de bepalende waarde. Zo schrijft hij in Laudato si’ waarbij hij paus Benedictus citeert: “Daar alles in relatie staat, is de verdediging van de natuur evenmin verenigbaar met de rechtvaardiging van abortus. (…) ‘Als de persoonlijke en sociale zin voor de aanvaarding van een nieuw leven verloren gaat, dan verdorren ook andere voor het sociale leven nuttige vormen van aanvaarding.’”

Lezing op de feestdag van Sinte Liduina in Schiedam, 14 juni 2024

Zie hier voor een samenvatting van de verklaring Dignitas infinita.

Vragen voor een gesprek
Geschenk
De waarde van een geschenk is afhankelijk van de relatie tussen gever en ontvanger.
Noem een aantal voorbeelden.
Geef voorbeelden van bijzondere geschenken.
Wat betekent het dat ons leven, ons lichaam ons door God geschonken is?

Vrijheid
Wat betekent vrijheid voor je?
Zijn er verschillende ideeën over wat vrijheid inhoudt?
Voor welke vrijheid hebben mensen zoals in de Tweede Wereldoorlog hun leven gegeven.
Wat betekent het dat Jezus ons verlost, ons bevrijdt heeft?

Wie zeggen de mensen dat Ik ben

Auteurs: Willem Jan Otten & Paul van Dongen
Titel: Wie zeggen de mensen dat Ik ben
Uitgever: Skandalon, 2023
Prijs: € 27,99
ISBN: 978 94 93220 45 4
Aantal pagina’s: 152

“God is dood, maar van zijn zoon komen we niet af, zo bleek in de loop van de vorige eeuw. Hij is ons blijven bezoeken, precies zoals hij vlak voor zijn dood heeft voorspeld.” In drieëndertig korte dichterlijk geschreven essays laat Jan Willem Otten zien hoe Jezus in onze samenleving aanwezig en werkzaam is. Hij komt aan het licht in Bijbelverhalen en ook in onze tijd in films, muziek, schilderijen, gedichten, verhalen en levens van mensen. “Het is een door vooral kunstenaars bemiddeld boek.”

Paul van Dongen maakte tekeningen, etsen en aquarellen van de onderwerpen van de essays. Samen zoeken Van Dongen en Otten naar antwoorden op de vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben.” De teksten en beelden “zijn steeds pogingen tot antwoorden op dezelfde vraag. Twee manieren ‘om hetzelfde niet te begrijpen’”. Het is een inspirerend en prachtig vormgegeven boek dat vraagt om meditatie en herlezing, een dubbelkunstwerk dat hart, hoofd en ziel raakt.

Het Bloed van het Verbond; Ex 24,3-8; Hebr 9,11-15; Mc 14,12-16.22-26

Als wij deelnemen aan de Eucharistie, als wij te Communie gaan, delen wij in de liefde van God. Jezus heeft ons de Eucharistie gegeven als het verbond van liefde. Zo verbindt God zich met ons en zo verbinden wij ons met God en met elkaar. Zo is er sprake van een verbond tussen God en de mensen.

De eerste lezing gaat over het verbond dat God met het volk Israël sluit. De tweede lezing noemt Jezus de middelaar van een nieuw verbond. Hierin wordt verwezen naar het feest van Jom Kipoer, Grote Verzoendag. Deze twee lezingen staan direct met elkaar in verband. In de eerste lezing horen we dat Mozes het volk in kennis stelt van alle woorden en bepalingen die God verordend heeft. Hij schrijft deze bepalingen op en leest ze voor. Samen vormen zij het verbond dat God met het volk van Israël sluit: een verbond dat met bloed wordt bezegeld. Israël onderhoudt het woord van God. En God geeft zijn volk geluk, vrede, vrijheid en welvaart. Dat is de essentie van het oude verbond.

Na de sluiting van het verbond krijgt Mozes instructies voor het bouwen van het Tabernakel, een draagbaar heiligdom, een grote tent en de voorloper van de tempel. In deze tent werd de Ark van het Verbond geplaatst. Ook gaf God Mozes instructies over het priesterschap en over het brengen van offers. De tweede lezing, de brief aan de Hebreeën sluit hierop aan. Op Grote Verzoendag betrad de hogepriester het heilige der heiligen. Hier stond de Ark van het Verbond afgesloten met het verzoendeksel. Op Grote Verzoendag, de heiligste dag van het jodendom, wordt spijt betuigd over de verkeerde daden die mensen in het voorafgaande jaar hebben gedaan, zonden ten aanzien van de Schepper. Er wordt gevast en gebeden om vergeving van de zonden.

In plaats van het bloed van bokken en stieren offert Jezus zijn eigen leven, zijn eigen bloed. Hij maakt Goede Vrijdag tot de Grote Verzoendag. Zo is Hij de middelaar van een nieuw verbond. Jezus Christus is opgestegen naar de hemel. Hij is het hemelse heiligdom binnengegaan. Daar verzoent Hij ons met God en bevrijdt Hij ons van de zonden. Zijn dienst van verzoening is niet een keer per jaar maar continu. Hij opent ons de weg naar God. Hij zet voor eens en altijd de deur wijd open.

In alle lezingen van vandaag gaat het over bloed. Bloed werd gezien als de bron van het leven. De woorden bloed en leven zijn nauw met elkaar verbonden. Als er bloed vloeit staat het leven op het spel. In de eerste lezing wordt het sluiten van het verbond met bloed bezegeld. Het verbond dat God met zijn volk sluit, wordt bloedserieus genomen. In de tweede lezing gaat het over het offeren van bloed. Ook het bloed van dieren, het leven van dieren is van grote waarde. Dieren zijn door God geschapen. Hij geeft hun het leven.

Jezus geeft zijn leven voor ons. Hij zegt: “Dit is mijn Bloed van het Verbond, dat vergoten wordt voor velen.” Hij is met heel zijn wezen bij dit verbond betrokken. Als Jezus ons zijn Lichaam en Bloed geeft, dan geeft Hij zich totaal: met ziel en lichaam. Dat is zijn daad van oneindige goddelijke liefde. Het verbond dat Jezus tussen God en mensen sluit, is een verbond van liefde. Het is geen afspraak, geen contract met wederzijdse verplichtingen maar een liefdesverbond, een goddelijk geschenk aan ons. Wij mogen dat beantwoorden met onze liefde voor God en voor elkaar.

De maaltijd des Heren is een liefdesmaaltijd. Als wij deelnemen aan deze maaltijd, als wij te Communie gaan, delen wij in de liefde van God. Zo verbindt God zich met ons en zo verbinden wij ons met God. Daardoor is het ook een liefdesverklaring naar elkaar. Alle deelnemers aan deze maaltijd zijn in Gods liefde met elkaar verbonden. In de Eucharistie worden het eerste en tweede gebod met elkaar verbonden. Heb God lief boven alles en de naaste als jezelf. Sacramentsdag is het feest van de liefde. Een liefde die bevrijdt en verzoent. Een liefde die voor ons de weg opent naar God en naar elkaar. Een liefde waarin wij voortdurend mogen groeien. Amen.

God is liefde; 1 Joh 4,11-16

“God is liefde.” Niet alleen vandaag ook vorige week klonken deze woorden. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief uitgebreid over de liefde. “God is liefde.” Voor mij zijn dit de kernwoorden van ons geloof. Uit liefde heeft God de wereld geschapen. Jezus is mens geworden om hiervan te getuigen. Heel zijn leven, zijn lijden, sterven en verrijzenis zijn uit liefde voor ons. Eens zal de gehele schepping in Gods liefde worden opgenomen. “God is liefde.” Deze woorden vormen een keerpunt in de geschiedenis. Het wezen van God is liefde. Hij is de bron van liefde. Geen andere godsdienst kende een god die van mensen hield. De apostel Johannes schreef deze brief vele jaren na de Hemelvaart van Jezus. Johannes was toen tussen de zestig en de tachtig jaar oud. Gaandeweg zijn leven is hij doorgedrongen tot de essentie van het geloof.

Ook paus Benedictus XVI heeft uitgebreid over de liefde geschreven. Eerst in de encycliek ‘Deus caritas est’: ‘God is liefde’. En later in de encycliek ‘Caritas in veritate’: ‘Liefde in waarheid’. In ‘Deus caritas est’ beschrijft hij de verschillende vormen van liefde. Hij maakt onderscheid tussen de onbaatzuchtige goddelijke liefde en de passionele menselijke liefde, tussen agape en eros. Eros en agape worden als opstijgende en neerdalende liefde en als begerende en schenkende liefde vaak tegenover elkaar gezet. De paus stelt daartegenover dat in werkelijkheid eros en agape zich nooit helemaal van elkaar laten scheiden. Hij concludeert dat de liefde uiteindelijk één enkele werkelijkheid is met verschillende dimensies die met elkaar verbonden zijn. Je zou kunnen zeggen dat alle vormen van liefde van het zelfde materiaal zijn gemaakt.

Benedictus schrijft: “Ook al is eros op de eerste plaats verlangend, opstijgend – gefascineerd door de grote belofte van het geluk – toch zal hij, als hij de ander nader komt, steeds minder met zichzelf bezig zijn, steeds meer het geluk van de ander willen, steeds meer zorg voor de ander hebben, zichzelf schenken, er voor de ander willen zijn. Het element van agape doet zijn intrede, anders raakt eros in verval en verliest ook zijn eigen wezen. Van de andere kant is het ook onmogelijk voor de mens om alleen van de schenkende, neerdalende liefde te leven. Hij kan niet alleen maar geven, hij moet ook ontvangen. Wie liefde wil schenken, moet haar zelf ook krijgen.” (DCE 7)

Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Direct aan het begin worden wij omringd door moederliefde. Het vermogen tot liefhebben is ons vanaf onze geboorte meegegeven. In eerste instantie gaat om het ontvangen van liefde en is onze liefde gericht op onszelf, op ons eigen leven. Die op onszelf gerichte liefde breidt zich uit tot onze verzorgers, onze ouders. Vanuit deze eros groeien wij naar agape. Wij leren er ook voor anderen te zijn. Wij groeien uit tot mensen die geheel belangeloos kunnen liefhebben.

Liefde is heel concreet. Het is geen vage abstractie. Je kunt liefde niet vasthouden, maar wel heel concreet ervaren. Wij maken de liefde tastbaar met onze daden van liefde: met liefkozingen, met goede woorden en door er te zijn voor een ander.

In ‘Caritas in veritate’ schrijft Benedictus: “Caritas is ontvangen en geschonken liefde. Zij is genade. Haar bron is de oorspronkelijke liefde van de Vader tot de Zoon in de heilige Geest. Zij is de liefde die van de Zoon op ons neerdaalt. Zij is de scheppende liefde, waaraan wij ons bestaan danken; zij is de verlossende liefde, waardoor wij wedergeboren zijn. (…) Als ontvangers van de liefde van God worden de mensen geroepen om dragers van de naastenliefde te zijn en ertoe aangezet zelf werktuigen van de genade te worden, om de liefde van God te verbreiden en netten van naastenliefde te knopen.” (CiV 5)

Johannes schrijft: “Vrienden. Als God ons zozeer heeft liefgehad moeten ook wij elkander liefhebben. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben woont God in ons en is zijn liefde in ons volmaakt geworden.” De liefde brengt de mensen bij God. In onze liefde voor elkaar wordt de onzichtbare God zichtbaar. God woont in ons. Wij zijn innig met Hem verbonden. “God is liefde: wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem.” Wij zijn kinderen van God. Wij zijn uit God geboren. Wij zijn dragers van Gods liefde. Amen.

Dignitas infinita over menselijke waardigheid

Inleiding

Op 8 april 2024 presenteerde het Dicasterie voor de Geloofsleer van het Vaticaan een document over menselijke waardigheid: Dignitas infinita (Oneindige waardigheid). Onze maatschappij is geobsedeerd door alles wat met seksualiteit te maken heeft. De meeste media en ook kardinaal Eijk besteedden dan ook vooral aandacht aan de onderwerpen ‘gendertheorie’ en ‘geslachtsverandering’.

Gelukkig is de Kerk meer dan uitspraken over seksualiteit. Het Conciliedocument Gaudium et Spes opent met de woorden: “De vreugde en de hoop, het leed en de angst van de hedendaagse mens, vooral van de armen en van alle lijdenden, zijn ook de vreugde en de hoop, het leed en de angst van Christus’ leerlingen; en er is niets echt menselijks, of het vindt weerklank in hun hart.”[1] Seksualiteit behoort hier inderdaad ook bij.

Dit document begint met een samenvatting van de eerste drie hoofdstukken van de verklaring. Vervolgens volgt een reflectie waarin de begrippen ‘geschenk’, ‘lichamelijkheid’, ‘persoon’ en ‘vrijheid’ nader belicht worden. Tenslotte volgt de samenvatting van hoofdstuk 4. De verklaring bevat veel citaten van teksten van vooral de pausen Johannes Paulus II, Benedictus XVI en Franciscus. In deze tekst wordt rechtstreeks naar die bronnen verwezen. De Nederlandse vertaling van de teksten uit de verklaring zijn van de hand van de auteur en gebaseerd op de Engelse en Duitse versie van de verklaring. De vertaling van de oudere teksten is ontleend aan https://rkdocumenten.nl/. Na het schrijven van deze samenvatting is er ook een complete Nederlandse vertaling gepubliceerd. Deze vindt u hier.

Samenvatting van hoofdstuk 1-3

De verklaring Dignitas infinita gaat over de menselijke waardigheid. Paus Franciscus benadrukt voortdurend “het primaat van de menselijke persoon en op de bescherming van zijn of haar waardigheid in iedere situatie”.[2] De menselijke waardigheid is een van de fundamentele principes van de sociale leer van de Kerk. Deze waardigheid is een wezenlijk aspect van het mens-zijn. Het is onvoorwaardelijke, onvervreemdbare en niet te verliezen waardigheid. Het is de waardigheid van iedere mens zonder enige uitzondering en het is de waardigheid die het hele leven van een mens betreft van de conceptie tot aan de dood.

De eerste drie hoofdstukken van het document gaan over het wezen van de menselijke waardigheid. In het vierde hoofdstuk wordt aangegeven waardoor de menselijke waardigheid wordt bedreigd. Dit zijn moord, zelfdoding, genocide, doodstraf, verminking, marteling, prostitutie, vernederende werkomstandigheden, mensonterende gevangenissen en onnodige psychologische druk. Daarnaast zijn het armoede, oorlog, lijden van migranten, mensenhandel en moderne slavernij, seksueel misbruik, geweld tegen vrouwen en femicide, abortus, draagmoederschap, euthanasie en hulp bij zelfdoding, marginalisatie van mensen met een handicap, gendertheorie, geslachtsverandering en digitaal geweld. Deze laatste dertien bedreigingen worden nader omschreven.

De menselijke waardigheid baseert de Kerk op drie overtuigingen. Ten eerste is de mens door God uit liefde naar zijn beeld en gelijkenis geschapen. (Zie: Gn 1,26) Het leven is een geschenk van God. Hij roept ieder van ons op Hem lief te hebben en broederlijk in vrede en gerechtigheid met onze medemensen samen te leven. God geeft iedere mens en heel de mens – ziel en lichaam – dit geschenk van waardigheid.

De tweede overtuiging ligt in de menswording van Jezus Christus. “In het mysterie van de Menswording bevestigde de Zoon van God de waardigheid van het lichaam en de ziel, die samen de mens vormen.”[3] Door zich met iedere mens te verenigen bevestigt Hij met zijn menswording de oneindige waardigheid van iedere mens.[4] Hij is gekomen “om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid”. (Lc 4,18) Hij verbindt zich met de geringsten: “al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan”. (Mt 25,40)

De derde overtuiging betreft de uiteindelijke bestemming van de mens. Onze waardigheid ligt niet alleen in onze oorsprong maar ook in onze bestemming: de gemeenschap met God, delend in zijn liefde en waarheid. “Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem; zo werkt de Heer die Geest is.” (2 Kor 3,18)

“Iedere mens bezit vanaf het begin van zijn of haar bestaan een onvervreemdbare en wezenlijke waardigheid als een onherroepelijk geschenk. Echter de keuze deze waardigheid te laten blijken en er volledig uitdrukking aan te geven of haar te verbergen is afhankelijk van ieders persoonlijke vrije en verantwoordelijke keuze. (…) Geschapen naar Gods beeld en gelijkenis verliest de mens nooit zijn of haar waardigheid en komt er ook geen einde aan de roeping het goede in volle vrijheid te omarmen.”[5] In het volgen van deze roeping komt de waardigheid van de mens tot uitdrukking. Hiertegenover staat de bedreiging van het kwaad. De zonde verwondt en verduistert onze waardigheid. Bepaalde ideologieën kunnen een vals beeld van waardigheid propageren. Denk aan de slavenhandel, maar ook aan de totalitaire ideologieën van de afgelopen eeuw.

De menselijke waardigheid is de basis voor rechten van de mens en voor zijn plichten. “De Kerk volhardt dat de waardigheid van iedere mens – juist omdat zij wezenlijk is – onder alle omstandigheden blijvend is. De erkenning van deze waardigheid kan niet afhankelijk zijn van een oordeel over iemands mogelijkheid tot begrip en tot handelen in vrijheid.”[6] De menselijke waardigheid wordt soms misbruikt om willekeurig nieuwe rechten te formuleren die in tegenspraak zijn met het fundamentele recht te mogen leven. De verdediging van de menselijke waardigheid is gebaseerd op de constitutieve vragen van de menselijke natuur die niet afhangen van individuele willekeur of maatschappelijke erkenning. “Zonder zo’n objectieve basis wordt het concept van waardigheid de facto onderwerp van de meest uiteenlopende vormen van willekeur en macht.”[7]

“Gezien in het licht van het relationele karakter van de persoon helpt de menselijke waardigheid het enge perspectief van een zelfgerichte en individuele vrijheid te overstijgen, waarmee men claimt eigen waarden te creëren los van de objectieve normen van het goede en van onze relaties met andere levende wezens.”[8] Vrijheid “is een groot geschenk van de Schepper, gegeven als zij is ten dienste van de persoon en van zijn vervulling door de gave van zichzelf en door de openheid jegens anderen; maar wanneer de vrijheid absoluut gemaakt wordt op een individualistische manier, dan verliest ze haar oorspronkelijke inhoud, en weerspreekt zij haar eigenlijke betekenis en waardigheid.”[9] “Menselijke waardigheid omvat ook de aangeboren menselijke vaardigheid verplichtingen aan anderen op zich te nemen.”[10] “Het verschil tussen mensen en alle andere levende wezens dat volgt uit het concept van de menselijke waardigheid, mag niet leiden tot het ontkennen van het goede van de andere schepselen. Zij bestaan niet louter in dienst van de mensheid maar hebben ook hun eigen waarde; ze zijn als geschenken aan de mensheid toevertrouwd om ze te verzorgen en te koesteren.”[11]

“De menselijke vrijheid moet bevrijd worden”, want “onze vrije wil geeft vaak de voorkeur aan het kwaad boven het goede”.[12] “Vrijheid is een geweldig geschenk van God. Zelfs als God ons met zijn genade tot zich trekt, doet Hij dat zonder onze vrijheid geweld aan te doen. Het zou dan ook een enorme dwaling zijn te denken dat wij toenemen in vrijheid en in waardigheid door onszelf van God en zijn bijstand te verwijderen. Integendeel, los van de Schepper, wordt onze vrijheid zwak en onzichtbaar.”[13] “Een juiste uitoefening van de persoonlijke vrijheid vereist specifieke voorwaarden van economische, sociale, juridische en culturele aard.”[14] Bijvoorbeeld: “Als marktvrijheid en marktefficiëntie de leidinggevende principes van de samenleving zijn, dan is er voor [mensen met een beperking] geen plaats en blijft broederlijkheid alweer een vaag romantisch idee.”[15]

Reflectie

In deze reflectie wil ik bij een aantal begrippen stilstaan. Allereerst bij het begrip ‘geschenk’. Wat betekent het dat ons leven een geschenk is? Het geven van een geschenk geeft uitdrukking aan de relatie tussen gever en ontvanger. Een geschenk is altijd relationeel, maar er zijn verschillende soorten relaties. Een geschenk van een supermarkt aan een klant is om de klant-leverancierrelatie te bevestigen en te versterken. Staatshoofden wisselen geschenken uit om hun bondgenootschap te symboliseren. We geven aan goede doelen uit solidariteit met mensen in nood. Geschenken kunnen om wederkerigheid vragen. Dit klinkt door wanneer iemand bij het ontvangen van een cadeau zegt: ‘Dat had je niet moeten doen.’ Daarin klinkt door: ‘Wat kan ik hier tegenover stellen.’

Geschenken kunnen ook geheel onbaatzuchtig zijn, puur uit liefde gegeven, zoals ouders aan hun kinderen geven en geliefden aan elkaar. Met het geschenk geeft de gever iets van zichzelf. Dergelijke geschenken zijn ook vaak uitdrukkingen en symbolen van de liefde voor elkaar. Denk bijvoorbeeld aan een trouwring. Geschenken uit liefde gegeven vragen om respect en eerbied. Je kunt er niet zomaar van alles mee doen. Ik kan bijvoorbeeld mijn trouwring niet verkopen als ik een keer geen geld zou hebben om benzine te tanken. Gebrek aan respect voor het uit liefde gegeven geschenk beschadigt de relatie. Soms geven vrienden je een geschenk waarvan je denkt: ‘Wat moet ik hiermee?’ Inderdaad, daar moet je iets mee. Dat geschenk heeft te maken met de vriendschap.

God heeft ons uit liefde geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Jezus heeft ons verlost door zijn leven te geven. Deze geschenken maken dat wij niet op willekeurige of slordige wijze met ons eigen leven en het leven van anderen mogen omgaan. Dit geldt voor de omgang met iedere mens en voor de omgang met heel ons leven. Onzorgvuldige omgang met deze geschenken beschadigt onze relatie met God en verwijdert ons van Hem. Dat is wat we zonde noemen.

Dit brengt ons bij een tweede onderwerp: onze lichamelijkheid. Wij zijn ziel en lichaam, lichaam en geest. Het is niet zo dat we een lichaam hebben. Nee, we zijn ons lichaam. Het maakt wezenlijk deel uit van het geschenk van het leven. De menswording van Gods Zoon bevestigt de waardigheid van ziel èn lichaam. Ook na zijn verrijzenis toont Jezus zijn lichamelijkheid aan zijn leerlingen. Hij eet en drinkt met hen. Ook voor ons ligt er een lichamelijke verrijzenis in het verschiet. Ons lichaam is een geschenk uit liefde. Het lichaam is niet een ding waarmee we kunnen doen wat we maar willen.

Ten derde is er het begrip ‘persoon’. Menselijke waardigheid is verbonden met het wezen van ons mens-zijn. Een zelfde respect en eerbied als wij voor ons eigen leven en lichaam hebben, moeten wij voor iedere mens hebben. Ieder mens is een persoon, een wezen begiftigd met verstand en vrije wil. Iedereen heeft rechten en plichten direct verbonden met het mens-zijn. De rechten van iedere mens zijn algemeen, onschendbaar, absoluut en onvervreemdbaar. Iedere mens heeft het recht op een waardig leven. De waardigheid van iedere mens bepaalt hoe wij met elkaar omgaan en ook hoe wij met onszelf, ons eigen leven omgaan. In onze omgang met anderen mag de ander nooit een middel zijn. Iedere mens is altijd een doel. Dus we kunnen mensen niet zien als proefkonijn, als kanonnenvlees, als lustobject, als kostenpost, als productiefactor of als consument. We kunnen een ander ook niet zien als invulling van onze kinderwens. Kinderen zijn een geschenk. We hebben geen recht op kinderen. Altijd moeten wij voor ogen hebben dat de ander een mens is met eigen rechten en plichten en met eigen verlangens en strevingen. De ander kan nooit ondergeschikt worden aan wat wijzelf voor onszelf verlangen en nastreven.

Tenslotte wil ik stilstaan bij het begrip ‘vrijheid’. Het begrip vrijheid kent verschillende betekenissen. In onze huidige maatschappij denkt men bij vrijheid vooral aan ‘kunnen doen waar je zin in hebt’. Dat is een tamelijk leeg begrip van vrijheid. Hierbij gaat het om zelfgerichte en individualistische vrijheid. Voor welke vrijheid heeft Jezus zijn leven gegeven? Hij heeft ons bevrijd. Hij is onze Verlosser. Wij zijn vrije mensen. Voor de apostel Paulus is vrijheid iets heel anders dan doen waar je zin in hebt. Volgens Paulus zijn wij vrij om het goede te doen, om een goed mens te zijn. Wij zijn vrij om lief te hebben. Dit is de vrijheid die Jezus ons geeft: vrijheid die gebaseerd is op liefde. Deze vrijheid stelt ons in staat het goede te doen en met onze goede daden God te eren.

De vraag is niet: Waar heb ik zin in? De vraag is: Hoe bereik ik het goede? Met dit laatste streven dienen we God en onze medemensen. In dit streven staan niet het individu en zijn persoonlijke behoeften centraal. In dit steven staan God en de gemeenschap centraal. Dit is een vrijheid die ons verantwoordelijk maakt.

Samenvatting van hoofdstuk 4

Na de reflectie naar aanleiding van de eerste drie hoofdstukken nu een samenvatting van het vierde hoofdstuk, waarin dertien bedreigingen van menselijke waardigheid nader worden omschreven. Paus Franciscus wijst voortdurend op concrete situaties waarin in de huidige tijd de menselijke waardigheid bedreigd wordt. Zonder volledig te willen zijn worden in de verklaring de volgende bedreigingen beschreven.

Armoede
“Eén van de grootste onrechtvaardigheden van de huidige wereld bestaat juist hierin dat het betrekkelijk weinigen zijn die veel bezitten, en velen die bijna niets bezitten. Dat is de onrechtvaardigheid van de slechte verdeling van de goederen en diensten die oorspronkelijk bestemd zijn voor allen.”[16] Extreme armoede is voor vele mensen een ernstige bedreiging van hun waardigheid. Hoewel de welvaart wereldwijd groeit, is er sprake van een groeiende “schandalige ongelijkheid”[17]. We moeten ons het volgende realiseren: “de ergste vorm van armoede is die waarin men mensen berooft van werk en van de waardigheid van het werk”.[18]

Oorlog
“Oorlog, terroristische aanslagen, raciale of religieuze vervolging en vele andere aantastingen van de menselijke waardigheid (…) vermenigvuldigen zich jammer genoeg in talrijke regio’s in de wereld in die mate dat ze de trekken vertonen van wat we een echte ‘derde wereldoorlog’ zouden kunnen noemen, die stukje bij beetje wordt uitgevochten.”[19] “Met haar spoor van lijden en vernietiging bedreigt oorlog op korte en lange termijn de menselijke waardigheid.”[20] “De nauwe relatie tussen geloof en menselijke waardigheid betekent dat het tegenstrijdig is oorlog te voeren op basis van religieuze overwegingen.”[21]

Lijden van migranten
“Migranten behoren bij de eerste slachtoffers van de vele vormen van armoede. Hun waardigheid wordt niet alleen in hun thuisland ontkend. Ook is hun leven in gevaar omdat ze niet in staat zijn een gezin te stichten, te werken en zelf in hun levensonderhoud te voorzien. (…) De opvang van migranten is belangrijk.”[22] “Iedere migrant is een menselijke persoon, die als zodanig onvervreemdbare fundamentele rechten heeft, die door iedereen en in elke situatie geëerbiedigd moeten worden.[23]

Mensenhandel en moderne slavernij
Mensenhandel en verschillende vormen van moderne slavernij zijn ernstige bedreigingen van de menselijke waardigheid. Hierbij worden de volgende misstanden genoemd: “handel in menselijke organen en menselijk weefsel, seksuele uitbuiting van jongens en meisjes, slavenarbeid inclusief prostitutie, handel in drugs en in wapens, terrorisme en internationale georganiseerde misdaad.”[24]

Seksueel misbruik
Gezien de waardigheid van de persoon, van lichaam én geest, spant de Kerk zich onophoudelijk in voor het stoppen van seksueel misbruik, te beginnen binnen de eigen gelederen.

Geweld tegen vrouwen en femicide
“Geweld tegen vrouwen is een wereldwijd schandaal dat steeds meer erkend wordt. Zelfs in de meest ontwikkelde en democratische landen blijkt uit de concrete sociale realiteit dat aan vrouwen vaak niet de zelfde waardigheid wordt toegekend als aan mannen.”[25] Geweld tegen vrouwen en femicide hangen samen met deze ongelijkheid. De Kerk veroordeelt ook het hedendaagse hedonisme en commerciële cultuur van exploitatie van seksualiteit die er niet voor terugdeinst jonge vrouwen hun lichaam te laten gebruiken om geld te verdienen.

Abortus
Gezien de waardigheid van het hele leven van een mens van allereerste begin, de conceptie tot de dood heeft de Kerk zich altijd tegen abortus uitgesproken. Ongeboren kinderen zijn: “de meest kwetsbaren en onschuldigen van allen zijn, aan wie men vandaag de menselijke waardigheid wil ontzeggen om met hen te doen wat men wil door hun het leven te ontnemen en een wetgeving te bevorderen, zodat niemand dat kan verhinderen. (…) Dit verdedigen van het ongeboren leven is (…) ten nauwste verbonden met het verdedigen van ieder menselijk recht. Het veronderstelt de overtuiging dat een menselijk wezen altijd heilig en onschendbaar is, in iedere situatie en iedere fase van zijn ontwikkeling. Een mens is een doel op zich en nooit een middel om andere moeilijkheden op te lossen. Als deze overtuiging wegvalt, blijven er geen hechte en duurzame fundamenten over voor de verdediging van de rechten van de mens, die altijd onderhevig zouden zijn aan de toevallige conventies van de machthebbers van het ogenblik.”[26]

Draagmoederschap
“Een kind is altijd een geschenk en nooit de basis voor een commercieel contract.”[27] “Het draagmoederschap is in strijd met de waardigheid van het kind. Ieder kind heeft een onaantastbare waardigheid. (…) De legitieme kinderwens kan niet vertaald worden naar een ‘recht op een kind’.”[28]

Euthanasie en hulp bij zelfdoding
Lichtere bedreigingen van de menselijke waardigheid zijn euthanasie en hulp bij zelfdoding. Hier is sprake van verkeerd verstaan van het begrip menselijke waardigheid. Men spreekt hier bijvoorbeeld over ‘waardig sterven’. Lijden en ziekte doen op geen enkele manier afbreuk aan de waardigheid van een mens. “Zeker, de waardigheid van hen die terminaal ziek zijn vraagt om alle gepaste en noodzakelijke inspanningen om het lijden te verzachten in de vorm van palliatieve zorg en het achterwege laten van overdreven en buitensporige medische behandeling.”[29] Dit is wezenlijk iets anders dan besluiten een einde te maken aan je eigen of andermans leven.

Marginalisatie van mensen met een handicap
“Een criterium om na te gaan of er in een samenleving werkelijk aandacht voor de waardigheid van iedere mens is, is de zorg die de ernstig gehandicapten krijgen.”[30] “Deze liefde, die het spirituele hart van de politiek vormt, is altijd een voorkeursliefde voor diegenen die het meest hulpbehoevend zijn; zij vormt de basis van alles wat wij voor hen doen. (…) Om aandacht te hebben voor mensen in nood zijn kracht en tederheid, strijd en edelmoedigheid nodig te midden een functionalistisch en geprivatiseerd model dat onvermijdelijk tot een ‘wegwerpcultuur’ leidt. Het betekent dat men zich bekommert om mensen in de meest marginale en schrijnende situaties, om hen met waardigheid te kunnen zalven.”[31]

Gendertheorie
“Daarom willen wij vóór alles benadrukken dat iedere persoon, onafhankelijk van zijn seksuele geaardheid, moet worden gerespecteerd in zijn waardigheid en met respect moet worden aanvaard, waarbij men ervoor zorgt iedere vorm van onrechtmatige discriminatie te vermijden, en in het bijzonder iedere vorm van agressie en geweld.”[32] Het menselijk leven, lichamelijk en geestelijk, is een geschenk van God. “Voor dit geschenk geldt dat het met dankbaarheid wordt aanvaard en in dienst van het goede wordt gesteld. De wens van persoonlijk zelfbepaling, zoals gendertheorie voorschrijft, los van deze fundamentele waarheid dat het menselijk leven een geschenk is, betekent niets anders dan een toegeven aan de oeroude bekoring van mensen zichzelf tot God te maken.”[33] “Een ander aspect van gendertheorie is dat zij probeert het grootst mogelijke onderscheid dat er tussen levende wezens, het seksuele onderscheid, te ontkennen.”[34]

Geslachtsverandering
De waardigheid van het lichaam kan niet als minder dan de waardigheid van de persoon zelf beschouwd worden. “De schepping gaat aan ons vooraf en moet als een gave worden ontvangen. Tegelijkertijd zijn wij geroepen ons mens-zijn te bewaken en dat betekent vóór alles het te aanvaarden en te respecteren, zoals het geschapen is.”[35] “Dit betekent dat iedere geslachtsveranderende ingreep in principe het risico inhoudt van bedreiging van de unieke waardigheid die de persoon bij de conceptie heeft ontvangen.”[36] Hiermee wordt medische behandeling van genitale afwijkingen niet uitgesloten.

Digitaal geweld
“Hoewel de ontwikkeling van digitale technologie veel mogelijkheden tot bevordering van de menselijke waardigheid biedt, neigt zij er in toenemende mate toe een wereld te scheppen waarin exploitatie, uitsluiting en geweld zozeer toenemen dat de menselijke waardigheid bedreigd wordt.”[37] “Digitale communicatie wil alles naar buiten brengen; het leven van mensen wordt uitgekamd, blootgelegd en rondgebazuind, vaak anoniem. Het respect voor anderen verkruimelt, en zelfs als ik iemand anders afwijs, negeer of op afstand probeer te houden, kan ik schaamteloos naar elk detail van zijn of haar leven blijven gluren.”[38] “Dergelijke ontwikkelingen tonen de donkere kant van de digitale vooruitgang. Als technologie er is om de menselijke waardigheid te dienen en niet om haar te verwonden, en als zij er is om de vrede en niet het geweld te bevorderen, dan moet de menselijke gemeenschap met het oog op de menselijke waardigheid zich tegen deze ontwikkelingen verzetten en het goede bepleiten.”[39]

Conclusie

De verklaring wordt afgesloten met nogmaals het belang van de menselijke waardigheid te benadrukken. Hierbij wordt ook gewezen op 75e verjaardag van de afkondiging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

“Iedere mens en de iedere gemeenschap van mensen is verantwoordelijk voor de concretisering en operationalisering van de menselijke waardigheid, terwijl het de plicht van de staten is de menselijke waardigheid niet alleen te beschermen, maar ook de benodigde voorwaarden te garanderen zodat de totale ontwikkeling van de menselijke persoon tot bloei kan komen.[40] “In de politiek mogen we niet vergeten dat voorbij iedere uiterlijke schijn, ieder mens oneindig heilig is en onze liefde en toewijding verdient.”[41]


[1]     Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et Spes, 1965, 1.

[2]     Franciscus, Laudate Deum, 2023, 39.

[3]     Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Personae, 2008, 7.

[4]     Zie: Gaudium et Spes, 22.

[5]     Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 22.

[6]     Ibidem, 24.

[7]     Ibidem, 25.

[8]     Ibidem, 26.

[9]     Johannes Paulus II, Evangelium Vitae, 1995, 19.

[10]   Ibidem, 27.

[11]   Ibidem, 28.

[12]   Ibidem, 29.

[13]   Ibidem, 30.

[14]   Pauselijke Raad ‘Justitia et Pax’, Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 137.

[15]   Franciscus, Fratelli Tutti, 2020, 109.

[16]   Johannes Paulus II, Sollicitudo Rei Socialis, 1987, 28.

[17]   Benedictus XVI, Caritas in Veritate, 2009, 22.

[18]   Franciscus, Fratelli Tutti, 2020, 162.

[19]   Ibidem, 25.

[20]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 38.

[21]   Ibidem, 39.

[22]   Ibidem, 40.

[23]   Benedictus XVI, Caritas in Veritate, 2009, 62.

[24]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 42.

[25]   Ibidem, 2024, 44.

[26]   Franciscus, Evangelii Gaudium, 2013, 213.

[27]   Franciscus, Toespraak tot de leden van het Corps Diplomatique geaccrediteerd bij de Heilige Stoel, 8 januari 2024.

[28]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 49.

[29]   Ibidem, 52.

[30]   Ibidem, 53.

[31]   Franciscus, Fratelli Tutti, 2020, 187-188.

[32]   Franciscus, Amoris Laetitia, 2016, 250.

[33]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 57.

[34]   Ibidem, 58.

[35]   Franciscus, Amoris Laetitia, 2016, 56.

[36]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 60.

[37]   Ibidem, 61.

[38]   Franciscus, Fratelli Tutti, 2020, 42.

[39]   Congregatie voor de Geloofsleer, Dignitas Infinita, 2024, 61-62.

[40]   Ibidem, 65.

[41]   Franciscus, Fratelli Tutti, 2020, 195.

Je leven geven; Joh 12,20-33

“Wie zijn leven bemint verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren.” Jezus houdt van stevige uitspraken, maar overdrijft Hij hier niet? Moeten wij echt ons leven haten? Moeten wij het grootste geschenk dat God ons geeft, haten? En wat stelt het nog voor dat Jezus zijn leven voor ons geeft, als Hij zijn eigen leven haat? Wat heeft Jezus ons hier te zeggen?

Bij de andere drie evangelisten vinden een uitspraak van Jezus die lijkt op wat Johannes hier opgeschreven heeft. Bij Marcus lezen we: “Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden.” (Marcus 8,35) Marcus en ook Matteüs en Lucas hebben het niet over het haten van het leven maar over het verliezen ervan en dan in het bijzonder het verliezen van het leven omwille van Jezus en omwille van het Evangelie.

Ook in de stevige taal die Johannes opgeschreven heeft, zit een nuancering. Het gaat niet om het haten van het leven in het algemeen, maar om het haten van het leven in deze wereld. Zo komen we mogelijk wat dichter bij de boodschap die Jezus voor heeft. Hij roept ons op Hem te volgen en zijn dienaar te zijn. Leerling zijn van Jezus is niet alleen maar naar Hem luisteren. Het is ook een oproep tot dienstbaarheid.

Hoe wij Jezus, hoe wij deze koning die zijn leven voor ons geeft, kunnen dienen wordt duidelijk in het Evangelie volgens Matteüs: “De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.” Wij dienen Jezus door onze medemensen te dienen. En daarbij moeten op de eerste plaats denken aan hen die tekort komen, aan hen die lijden, aan hen die in nood verkeren.

Jezus roept ons op tot dienstbaarheid. Dat vraagt dat wij zelf een stapje terug doen, dat we onszelf niet beschouwen als het centrum van de wereld. Dat vraagt dat we ons primair richten op onze medemensen. Dienstbaarheid vraagt van ons ook offers. Dienstbaarheid vraagt afzien van het leven van de wereld, afzien van alleen maar willen genieten, afzien van alleen maar materieel welzijn, afzien van de zelfgerichtheid die de wereld eigen is. Wij houden van ons aardse leven. Wij houden van de genoegens die het ons biedt, maar afzien van bepaalde genoegens hoeft ons niet ongelukkig te maken. Sterker nog ons afzien omwille van een ander zal niet alleen die ander maar ook onszelf gelukkig maken.

“Als de graankorrel niet in de aarde valt blijft hij alleen.” Pas als je een graankorrel in grond stopt gebeurt er iets. Dan gaat hij ontkiemen. Doordat hij in de aarde sterft, ontstaat er nieuw leven en brengt hij vrucht voort. Jezus gebruikt dit beeld van de graankorrel als beeld voor zijn eigen leven. Gods Zoon heeft zijn goddelijke heerlijkheid losgelaten. Uit liefde voor ons is Hij mens geworden zoals wij. Hij heeft het gehele menselijke bestaan met ons willen delen: al onze vreugde en al ons verdriet, ons leven, ons lijden en onze dood. Door in vrijheid dit bestaan te aanvaarden, breekt Hij het open. Door het lijden en sterven op zich te nemen, opent Hij de weg ten leven. Hij geeft zijn leven om ons te redden.

Ook voor ons geldt dat onze liefde voor de medemens offers vraagt. Uit liefde is ons het leven gegeven. De liefde is de bron en ook de essentie van ons leven: ons leven is liefde. Door ons leven dienstbaar te maken aan anderen, door af te zien van het leven in deze wereld, gaan wij ontkiemen en brengt ons leven veel vrucht voort. Onze dienstbaarheid krijgt gestalte in daden van liefde, door te luisteren naar de mensen in nood, door de vruchten van onze aarde met hen te delen, door niet alles voor onszelf op te eisen. “Wie zijn leven bemint verliest het.” Wie vooral voor zichzelf opkomt wordt niet gelukkig. Amen.