Spring naar inhoud

Zelfgerichte praatjesmakers; Heb 4,14-16; Mc 10,35-45

Het is eigenlijk een heel hoopvol verhaal, de Evangelielezing van vandaag. De leerlingen van Jezus zijn jonge mannen die het wel zien zitten een mooie functie te hebben in een rijk waarin Jezus de hoofdrol speelt. Het zijn jongelui die geen last hebben van valse bescheidenheid: natuurlijk kunnen wij dat aan. En Jezus moet inderdaad concluderen dat zij in staat zijn de zware taak van de opbouw van de Kerk op zich te nemen en dat zij bereid zullen zijn net als Jezus zelf hun leven daarvoor te geven. Deze zelfgerichte praatjesmakers worden ware dienaars van mensen en verkondigers van het Evangelie. Zij staan aan de basis van een missionaire Kerk.

Zo mogen ook wij hoopvol zijn over de jeugd van tegenwoordig. We mogen hoopvol zijn over onze kinderen en kleinkinderen. We mogen hoopvol zijn over onszelf. Als het erop aankomt is menigeen tot grote daden in staat. Jezus geeft aan welke vorm die grote daden moeten aannemen. Hijzelf geeft ons het voorbeeld. “De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen.” Ook van ons wordt gevraagd dienstbaar te zijn: dienstbaar aan elkaar, dienstbaar aan onze medemensen, dienstbaar aan de wereld.

In de brief aan de Hebreeën gaat het over Jezus als de verheven hogepriester. Deze hogepriester is mens geweest zoals wij. Hij kent al onze zwakheden en tekortkomingen. Hij geeft ons ook de genade en de hulp die wij nodig hebben, om op onze beurt dienaar en dienstbaar te zijn in onze wereld.

Dienstbaar zijn is er zijn voor anderen, je leven richten op anderen en je leven in dienst stellen van anderen. Voor Jezus betekende dat “zijn leven te geven als losprijs voor velen”. Voor Hem betekende dat de dood aan het kruis. Dat betekent niet dat ook wij net als veel van de eerste leerlingen martelaren moeten worden. Je kunt je leven ook geven zonder het te verliezen. Je kunt je leven geven en daar zelf heel gelukkig van worden. Je geeft je leven door er voor een ander te zijn.

Van paus Franciscus zijn de volgende woorden over gelukkig worden: “Echte vreugde komt voort uit een ontmoeting, uit een relatie met anderen, uit het gevoel aanvaard te worden, begrepen te zijn en bemind. Aanvaarden, verstaan en beminnen, zijn cruciale begrippen als het om vreugde gaat.” Aanvaarden, verstaan en beminnen zijn uitingen van dienstbaarheid naar elkaar. Elkaar werkelijk ontmoeten vraagt om een dienstbare houding.

Deze week is het de laatste week van de synode over de synodaliteit. De deelnemers spreken in Rome over de toekomst van de Kerk. Het gaat over gemeenschap, deelname en missie. Ook dat vraagt een houding van dienstbaarheid. Het vraagt ontmoeting en het vraagt naar elkaar luisteren.

Het is vandaag Missiezondag. Overal vieren katholieke gelovigen in gebed en solidariteit hun wereldomvattende gemeenschap. Vandaag is er een deurcollecte voor Missio. Wij zijn solidair met de mensen die te maken hebben met de stijging van de zeespiegel door de klimaatveranderingen.

Missionair zijn is niet: ik kom je even vertellen hoe het zit en wat je moet doen. Missionair zijn is op de eerste plaats luisteren naar de ander. Wat zijn de verlangens van de ander? Welke noden heeft mijn medemens? Als wij in staat zijn te luisteren, kunnen we ook begrijpelijk spreken. Als wij zien wat er om ons heen gebeurt, weten we hoe we met wijsheid het gesprek met anderen aangaan. Als wij werkelijk dienstbaar zijn vormen wij een missionaire Kerk. Amen.

Zo verborgen is God niet

Redactie: Peter Nissen
Titel: Zo verborgen is God niet: Mystiek en maatschappij bij Titus Brandsma
Uitgever: Boom, 2024
Prijs: € 22,90
ISBN: 9789024464791
Aantal pagina’s: 207

Pater Titus Brandsma schrijft: “Zo verborgen is God niet, wil Hij niet zijn, of voor het vindingrijke minnende hart is Hij te ontdekken, aan het van heimwee smachtende hart openbaart Hij Zich. Hij staat aan de deur en klopt en wacht dat Hem wordt opengedaan.” Mystiek is voor hem: “de vereniging van God met de mens en van de mens met God”. Elders schrijft hij: “God leeft in ons.” en “Het doel van de mens is God kennen, God beminnen, God dienen en dat niet zelf alleen, maar allen met elkaar in de gemeenschap met God.”

Brandsma heeft veel geschreven, geen dikke boeken maar veel artikelen en toespraken en meestal voor een breed publiek. Kerkhistoricus Peter Nissen heeft een bloemlezing samengesteld van teksten over mystiek en maatschappij. Brandsma schrijft over: “Hoe kan ik gelukkig worden? Wat is liefhebben? Kan ik God kennen en ervaren? Hoe bereiken we vrede, in onszelf en in de wereld? Hoe kan ik respectvol omgaan met mensen, met dieren, met de natuur? Wanneer ben je een held?”

Het ware, goede en schone

Mensen zijn op zoek naar waarheid, maar wat verstaan we onder waarheid? De Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging definieert waarheid als volgt: “Waarheid is in abstracto het kenmerk van een juiste uitspraak over de werkelijkheid. Een ware uitspraak is dus een uitspraak die overeenstemt met de feitelijke werkelijkheid.” We gebruiken het woord waarheid echter ook in een veel bredere betekenis. Als we het hebben over de waarheid van het leven, hebben we het eerder over de zin en het doel van het leven, over liefde en over goed en kwaad. Als we het hebben over de ‘ware’ dan hebben het over iemand die bij ons past: ‘de ware Jacob’. Het gaat om de meest fundamentele vragen die een mens zich kan stellen.

Voor Griekse filosofen als Plato en Aristoteles ging het om het ware, goede en schone. Het verlangen van de filosoof is volgens Kinneging erop gericht “inzicht te verweven in het eeuwig en onveranderlijk Ware, Goede en Schone en daar aldus spiritueel deel aan te hebben. Die laatste is voor Plato de waarlijk, hoogste vorm van liefde.” Deze transcendente begrippen worden ook door christelijke denkers als Augustinus en Thomas van Aquino gebruikt. Zij verbinden het ware, goede en schone met God. God is het ware, goede en schone. Jezus Christus zegt van zichzelf: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” (Joh 14,6) De apostel Johannes schrijft: “God is liefde.” (1 Joh 4,8)

De mens is op zoek naar en gericht op het ware, goede en schone. Het dient als de maat voor zijn denken en handelen zijn leven te bepalen. De mens weet zich geroepen het ware, goede en schone in de wereld gestalte te geven en er zo deel aan te hebben. Dit geeft ook richting aan de kunst. Kinneging schrijft: “Kunst moet iets zeggen over het tijdloze, eeuwige en universele Goede, het Schone en het Ware. Kunst is een pad naar een dieper inzicht daarin.”

In de moderniteit raken het idee van het ware, goede en schone onder invloed van het denken van de Verlichting en de Romantiek uit beeld. Nu staat het individu centraal en gaat het om begrippen als vrijheid, gelijkheid en zelfontplooiing. Het wetenschappelijk denken is de norm geworden, maar is dat de weg die we werkelijk willen gaan? Is het leven niet meer dan enkel wetenschap en rationaliteit?

Artikel in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact september 2024

Een levend geloof; Jes 50,5-9a; Jak 2,14-18; Mc 8,27-35

Wat betekent geloven voor ieder van ons? Met de geloofsbelijdenis verwoorden wij zo meteen ons gezamenlijk geloof, het geloof van de Kerk. Maar dat betekent niet dat we allemaal precies hetzelfde geloven. Ieder van ons heeft daar zijn eigen ideeën bij. Ieder van ons leeft het geloof op een eigen manier. Zowel onze ideeën als onze manier van leven verandert in de loop van ons leven. We hebben een levend geloof, een geloof dat niet stil staat. In de geloofsbelijdenis spreken we uit dat we ìn God geloven, ìn de Vader, ìn de Zoon en ìn de heilige Geest. We spreken uit dat we op God vertrouwen, dat we ons leven in zijn handen leggen. Geloven is durven te vertrouwen. Geloof en hoop gaan hand in hand. Dat is ook wat Jesaja ons voorhoudt. Wat er ook gebeurt: “God de Heer zal mij helpen.”

Jakobus heeft een geheel andere boodschap. Voor hem is een levend geloof een geloof dat zichtbaar wordt in daden. “Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen zonder zich in daden te uiten, dood.” Ik mag Jakobus wel. Hij is zeer duidelijk over hoe wij moeten leven. Gedurende deze weken staat zijn brief op het leesrooster. De boodschap is telkens weer dat wij ons geloof met onze daden zichtbaar moeten maken. Jakobus is een man van ‘geen woorden maar daden’.

En dan de vraag die Jezus stelt: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Het is een heel indringende vraag die Jezus aan zijn leerlingen stelt. Praten over wat anderen ervan vinden, dat is gemakkelijk, dat is ook een manier om jezelf te verstoppen: je verstopt je achter de mening van een ander en zelf zeg je niets fout, zelf neem je geen risico. Jezus neemt daar geen genoegen mee. Voor Hem was wat anderen over Hem denken, slechts een inleiding. Hij vraagt zijn leerlingen op de man af: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?”

Zoals vaker neemt Petrus het voortouw en spreekt de grote woorden: “Gij zijt Christus.” Vervolgens blijkt dat Petrus niet echt begrijpt wat hij zegt. Hij begrijpt niet dat de Christus, de Zoon van God, zal lijden en sterven om ons te redden en te verlossen. Petrus heeft zijn geheel eigen ideeën over de Christus, over de Redder van Israël. Het lijden en sterven komt daar niet in voor. De Christus is voor hem een overwinnaar naar menselijke maatstaven. Petrus is bij uitstek een voorbeeld van een levend geloof. Gedurende zijn leven komt hij een aantal keren tot geheel nieuwe inzichten. Zo groeit hij in het geloof. Zo kan hij ook de Kerk leiden.

Hoe zit dat bij ons? Ook ons wordt de vraag gesteld: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Welke ideeën hebben wij over Jezus? Hoe zien wij Hem? En hoe heeft Hij een plaats in ons leven?

Petrus en ongetwijfeld ook de andere leerlingen laten zich “leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.” Zes dagen na deze aanvaring met de leerlingen neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee een hoge berg op. Daar verandert Hij van gedaante. Weer laat Petrus zich leiden door menselijke overwegingen: hij stelt voor drie tenten te bouwen, zodat ze in dat moment kunnen blijven. Dan klinkt er een stem uit de hemel: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem.”

Voor een levend geloof is luisteren een essentiële voorwaarde. We moeten luisteren naar de Heer en luisteren naar elkaar. Paus Franciscus wenst een synodale Kerk, een luisterende Kerk. Luisteren is niet eenvoudig. Luisteren vraagt verbeeldingskracht. Het vraagt loskomen van onze eigen ideeën om erachter te komen wat de ander ons werkelijk te zeggen heeft. Ook een missionaire Kerk vraagt dat we naar elkaar luisteren. We moeten met elkaar in gesprek gaan. Door naar elkaar te luisteren, verkondigen wij ons geloof. Door ons voor elkaar open te stellen, zullen we allemaal veranderen. In het gesprek met elkaar luisteren we naar de stem van de Heer. In het gesprek is de heilige Geest actief aanwezig. Zo zijn wij leerlingen van Jezus en hebben we een levend geloof. Zo maken we met Hem Gods liefde voor allen zichtbaar. Zo voegen wij de daad bij het woord. Zo vormen wij een synodale en missionaire Kerk. Amen.

Keuzes maken; Joz 24,1-2a.15-17.18b; Ef 5,21-32; Joh 6,60-69

De afgelopen decennia hebben velen de Kerk de rug toegekeerd. Zij vonden daar niet wat ze zochten of misschien zochten ze überhaupt niet. Ook hebben misstanden in de Kerk dit proces versneld. Ook Jozua had met dergelijke mensen te maken. “Als gij de Heer niet wilt dienen, kies dan nu wie gij wel dienen wilt.” Jozua noemt een aantal alternatieve goden. Ook tegenwoordig is er volop keuze. We kunnen kiezen voor een sterke leider, voor de waarheid van de wetenschap, voor piekervaringen, extases en materiële welvaart. We kunnen ervoor kiezen uitsluitend ons eigen belang na te jagen.

Ook de woorden van Jezus vallen niet in goede aarde. Veel van zijn leerlingen zeiden: “Deze taal stuit iemand tegen de borst.” Velen trokken zich terug en Jezus vraagt aan de twaalf: “Wilt ook gij soms weggaan?” Mensen horen graag bij een groep, een groep die groot is en die aanzien heeft, een groep waarvoor je niet hoeft te schamen en een lidmaatschap dat je niet hoeft te verdedigen. Daarvoor moet echter niet bij Jezus zijn. Dat was toen het geval. Dat is in onze tijd weer aan de orde. Wat zoek je in die Kerk? Wat moet je met die God? Wat moet je met een Kerk waar misstanden zijn en moet je met een God die allerlei geweld en misstanden laat bestaan?

Zijn wij op zoek naar een volmaakte wereld? Zoeken wij een God die alle problemen oplost? Of aanvaarden we een schepping die ook natuurrampen kent? Aanvaarden we een gemeenschap met mensen, die fouten maken en niet zonder zonde zijn? Aanvaarden we bovendien dat ook wijzelf niet volmaakt zijn en de nodige tekortkomingen hebben? Zoeken we in een dergelijke wereld het goede, het ware en het schone? Zijn we in een dergelijke wereld op zoek naar liefde? Dan heeft Jezus wel een boodschap voor ons. Dan kunnen ook wij zeggen: “Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”

Vanuit een dergelijke houding kunnen we een bijdrage leveren aan een betere wereld. Afgelopen weken heb we met een groep parochianen teksten van Etty Hillesum gelezen. Wij volgden haar op haar spirituele weg. Een citaat: “Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf.” We vinden God niet in het succes en in de overwinning. We vinden God in het zwakke en in het lijden. We vinden God in de barmhartigheid en in de liefde voor elkaar. Dat is de weg die Jezus ons leert en ons voorgaat.

Dan nog de woorden van Paulus: “Zo moet de vrouw háár man in alles onderdanig zijn.” Paulus is geen politicus, geen maatschappijhervormer. Hij moet Gods liefde voor alle mensen verkondigen. De bestaande maatschappelijke situatie is voor hem een gegeven. Die situatie wordt door hem wel naar een hoger plan gebracht. In de tijd van Paulus waren vrouwen ondergeschikt aan hun mannen, vrouwen, kinderen en slaven waren het eigendom van de man en daarmee waren zij afhankelijk van de willekeur van de man. Binnen deze situatie benadrukt Paulus het gebod van de liefde: de liefde als het leidend beginsel om alles anders te doen. Onderdanig zijn aan elkaar is de opdracht voor iedere christen. Onderdanig zijn is een vorm van liefdevolle dienstbaarheid naar elkaar. Dat geldt dus ook voor vrouwen.

De boodschap die Paulus voor mannen heeft, is veel indringender. Zij moeten hun vrouw liefhebben. De vrouw is dus geen speeltje of sloofje. Zij is er niet louter voor het genot en het gemak van de man. Voor Paulus is de liefde het leidende beginsel. Dat geldt zowel voor vrouwen als voor mannen. Liefde kan er alleen bestaan tussen mensen die elkaar als gelijkwaardig beschouwen. Paulus stelt dat allen aan elkaar gelijkwaardig zijn: Joden en Grieken, mannen en vrouwen. In onze tijd, waarin alle mensen aan elkaar gelijkwaardig zijn, geldt alles wat Paulus schrijft, zowel voor vrouwen als voor mannen. Amen.

Meer over deze woorden van Paulus vindt u hier.

Wat is waarheid?

In onze tijd wordt waarheid door velen gezien als een tamelijk absoluut begrip. Zaken zijn echt waar, zijn onomstotelijk waar. Waarheid is iets wat waargenomen en bewezen kan worden. Daarbuiten is er geen waarheid. Daarnaast is waarheid ook iets persoonlijks: ieder zijn eigen waarheid of bubbel van waarheid. Samen zorgen deze fenomenen ervoor dat een rustig gesprek, een dialoog over waarheid vrijwel onmogelijk is. We leven in een sterk gepolariseerde samenleving.

Het denken over waarheid is de afgelopen eeuwen aan verandering onderhevig geweest. Tot en met de Middeleeuwen waren de Griekse oudheid en de Kerk bepalend voor het denken over waarheid. De waarheid is transcendent, de waarheid is bij God. Hij is de waarheid. Het opkomende rationalisme en wetenschappelijk denken brengen veranderingen met zich mee. Waarheid wordt gevonden door ontdekkingsreizen, door onderzoek en door logisch denken. In de moderne tijd komen verschillende filosofen tot verschillende denkrichtingen. Vele elementen daaruit zijn herkenbaar in het denken in onze tijd.

Mijn vrouw en ik proberen in Leiden met twee katholieke natuurwetenschappers grip te krijgen op het onderwerp ‘geloof en wetenschap’. Kunnen geloof en wetenschap samengaan of zijn ze strijdig aan elkaar? Vind je de waarheid in het geloof of moet je de waarheid juist in de wetenschap zoeken?

Enkele eerste conclusies op dit gebied zijn de volgende. Geloof en wetenschap zijn met verschillende soorten vragen bezig. Het geloof zoekt antwoorden op vragen als waarom besta ik en waarom wil ik het goede doen? De wetenschap houdt zich hier helemaal niet mee bezig en is ook niet in staat op deze vragen antwoorden te geven. De wetenschap zoekt ook niet zozeer naar waarheid. De wetenschap formuleert modellen waarmee verschijnselen kunnen worden verklaard en voorspellingen mogelijk zijn. Als een model geen antwoorden heeft op nieuwe ontdekkingen, dan wordt het model aangepast. Een model is een instrument wat nuttig is zolang het werkt. Het kan best waar zijn, maar daar gaat het niet om en dat valt ook niet definitief te bewijzen.

Geloof en wetenschap doen als het goed is ook geen uitspraken over elkaar. Het zijn verschillende domeinen. Wel kunnen ze elkaar aanvullen. Daar waar ze elkaar tegenspreken vraagt dat om serieuze reflectie: ga ik als wetenschapper of ga ik als gelovige niet buiten mijn boekje met de uitspraken die ik doe.

Artikel in het maandblad van de KBO Voorburg, Contact juli 2024

Levend brood; 1 Kon 19,4-8; Ef 4,30-5,2; Joh 6,41-51

Jezus zegt ons: “Ik ben het brood des levens. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid.” Johannes schrijft uitvoerig over de broodvermenigvuldiging. Vijf zondagen achter elkaar lezen we uit dit verhaal. Johannes vertelt niet alleen over het teken dat Jezus verricht, maar ook over de reacties van de mensen en over de uitleg van Jezus. Johannes loopt met dit uitvoerige verhaal vooruit op de avond voor het lijden en sterven van Jezus, het Laatste Avondmaal. Daar geeft Jezus ons het sacrament van de Eucharistie. Hier geeft Hij uitvoerig uitleg van de betekenis van de Eucharistie.

Wij mensen moeten eten en drinken om te leven. Zonder eten en drinken verliezen wij het leven. Dat weet Elia ook, maar hij ziet het niet meer zitten. Het verzet waar Elia mee te maken heeft, wordt hem teveel. Men is van plan hem te doden. Elia trekt zich terug in de woestijn om daar te sterven, om daar van de honger en de dorst om te komen. Dan komt er een engel met een koek en een kruik water. De engel spoort hem aan te eten en op reis te gaan. Zo krijgt Elia zijn krachten terug, krijgt hij weer moed en komt hij tot leven.

Jezus legt uit dat het niet alleen gaat om brood dat ons lichaam voedt en ons in staat stelt tot lichamelijke inspanningen. Mensen hebben ook behoefte aan brood uit de hemel, brood dat leven geeft aan de wereld, brood dat ons in staat stelt tot mentale inspanningen. Jezus maakt onderscheid tussen voedsel dat wij nodig hebben voor onze aardse leven en voedsel voor het eeuwig leven. Hij maakt onderscheid tussen het manna en het levende brood uit de hemel. Dit levende brood is Jezus zelf. Hij is het brood des levens. Dit levende brood voedt ons tot eeuwig leven.

Jezus Christus is ons een voorbeeld op onze weg van de liefde. Ons wordt gevraagd Hem na te volgen. Maar zo eenvoudig is dat ook weer niet. Wij zijn tekortschietende mensen. Wij hebben verlangens die ons afbrengen van de weg van de liefde. Vaak zijn wij op onszelf gericht in plaats van gericht op de ander. Het kost ons moeite en inspanning om de weg van Jezus te gaan. Het kost ons energie om zijn leerlingen te zijn. Energie verkrijgen we door te eten en te drinken. Dat geldt voor de energie nodig voor lichamelijke inspanningen. Dat geldt ook voor de energie nodig voor mentale inspanningen. Dat zien we ook bij Elia. Hij had energie nodig om veertig dagen en nachten te kunnen lopen, maar hij had vooral ook mentale energie nodig om het leven weer aan te kunnen.

Jezus geeft een grote menigte te eten. Zij hebben voedsel nodig om bij Hem te kunnen zijn. Hij laat brood en vis uitdelen. Maar Jezus gaat nog een stap verder. Jezus beloofd de mensen ook zichzelf te geven als voedsel. “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.” Jezus loopt hier vooruit op de dingen die nog zullen gebeuren. Jezus zal zijn leven geven voor de redding en de verlossing van allen. Hij zal zich voor ons overleveren als offergave en slachtoffer. Elke keer als wij de Eucharistie vieren beleven we dit offer opnieuw.

Door deel te nemen aan de Eucharistie ervaren wij dat Jezus zich aan ons geeft als levend brood. Door te luisteren naar de Bijbellezingen horen we God tot ons spreken. Zo worden we gevoed door zijn Woord. Zo zijn wij met Hem in gesprek. Het levende brood dat Jezus ons geeft, geeft ons niet alleen eeuwig leven. Dit levende brood geeft ook de energie nodig voor de inspanningen die passen bij onze christelijke wijze van leven. Het levende brood maakt ons tot nieuwe mensen. Het stelt ons in staat ook onszelf als offergave aan te bieden. Doordat het levende brood ons deel doet zijn van Jezus Christus ondergaan wij een verandering. Zo worden wij, wat wij eten. Amen.

Eenheid en vrede; Ef 2,13-18; Mc 6,30-34

Vorige week hoorden we hoe de twaalf uitgezonden werden om te prediken dat men zich moest bekeren. Nu keren zij terug bij Jezus en brengen zij verslag uit. Nu worden ze door Marcus apostelen genoemd. Hun uitzending heeft hen tot ambtsdragers gemaakt. Het woord apostel betekent gezondene, iemand die een boodschap overbrengt. Jezus nodigt hen uit om wat te rusten en wat te eten. Ze gaan in de boot naar een eenzame plek. De stilte en de rust geven de gelegenheid om te bezinnen. Na wat de apostelen allemaal hebben gedaan, is het goed dat ze daar nog even bij stilstaan, dat ze nog eens rustig nadenken over wat er gebeurd is.

Ook voor ons is dat belangrijk. Het is goed om niet alleen bezig te zijn, maar om ook de tijd te nemen voor bezinning, om na te denken over ons leven en zo ook contact te maken met God. In de rust is er ruimte voor God. In het bezinnen over de essentie van ons leven is God aanwezig. Het is vakantietijd, een tijd van rust en bezinning. De vakantietijd kun je op vele manieren inhoud geven. Mensen die lichamelijke arbeid verrichten, willen wel eens lekker lui op het strand liggen of op een terras zitten. Mensen die veel met hun hoofd bezig zijn hebben vaak behoefte om in de vakantie te bewegen, te fietsen, te wandelen of te zwemmen. Je kunt je vakantie natuurlijk ook overladen met activiteiten. Ook activiteiten kunnen ontspannend zijn, maar je loopt natuurlijk ook het risico moe van vakantie terug te komen. Vakantie vraagt ook het juiste evenwicht zoeken.

We lezen bij Paulus over twee werelden: dit zijn de joden en de heidenen, Gods uitverkoren volk en de anderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de christenen uit het Jodendom en uit het heidendom. Christus Jezus heeft deze scheidsmuur neergehaald. Mensen bouwen voortdurend muren om anderen buiten te sluiten. Naast de fysieke muren zijn er allerlei andere manieren van uitsluiting. Bijvoorbeeld door wetten en procedures. Ook onze omgangsvormen, kunnen uitsluiting veroorzaken. Hierdoor behoren anderen niet tot ‘ons soort mensen’. Christus Jezus haalt de scheidsmuur neer. Hij brengt de vrede. Hij maakt twee werelden één. Uit de verschillende mensen maakt Hij één nieuwe Mens. Zijn vrede is er voor alle mensen. Allen worden verenigd in de Kerk, in de gemeenschap van Christus, Allen krijgen door Hem toegang tot het heil, toegang tot God.

Mensen bouwen niet alleen muren om zich heen. Soms zijn er ook muren in onszelf, is sprake van een innerlijke verdeeldheid. Onze samenleving is gefragmenteerd. We maken deel uit van verschillende groepen die geheel los van elkaar staan. Wij hebben ons gezin en onze familie. Wij hebben ons werk, onze vriendenkring, onze buren. We zijn lid van verenigingen. We gaan naar de kerk. Vaak is er nauwelijks overlap tussen al die groepen waartoe we behoren. Dat kan met zich meebrengen dat we zelf ook gefragmenteerd raken. Op ons werk zijn we anders, dan thuis of bij vrienden. En daar zijn we anders dan in de kerk et cetera. Zo kunnen er in onszelf ook muren staan die afgebroken moeten worden. Door ons met Jezus Christus te verbinden, door zijn leerling te zijn, komen tot eenheid in onszelf, ontstaat er evenwicht en vrede in onszelf Paulus schrijft dat Jezus onze vrede is. Dat is leven in vrede met de wereld om ons heen én leven in vrede met onszelf.

De twaalf leerlingen werden door hun uitzending apostelen. Wij zijn bij ons Doopsel gezalfd tot koningen, profeten en priesters. Daarmee hebben ook wij een zending in deze wereld gekregen. Als leerlingen van Jezus is het onze zending om leerlingen te maken. Daarvoor is het nodig dat wij als leerling een duidelijke identiteit hebben. Dat we mensen uit één stuk zijn, mensen zonder interne verdeeldheid, mensen die in vrede met zichzelf leven.

De vakantietijd is een uitgelezen kans om hieraan te werken, om de rust, de eenheid en de vrede in onszelf en bij elkaar te vinden. Jezus is onze herder. Hij leidt ons en wijst ons de weg. Hij geeft houvast. Wij mogen ons aan Hem toevertrouwen. Hij geeft ons rust. Als zijn leerlingen gaan wij op pad, niet alleen in de vakantie, maar alle dagen van ons leven. Amen.

Uit onverwachte hoek; Ez 2,2-5; 2 Kor 12,7-10; Mc 6, 1-6

Vaak lopen de dingen geheel anders dan we ons hadden gedacht. Onverwachte gebeurtenissen geven soms een geheel nieuwe wending aan ons leven. Plotseling dienen zich onvermoede mogelijkheden aan. Plotseling ontdekken we onvermoede mogelijkheden in onszelf. Hoe gaan we daar mee om? Sluiten wij ons ervoor af of gaan we erop in. Durven we het aan nieuwe wegen in te slaan of houden we vast aan het vertrouwde pad om te weten waar aan toe zijn met ook de bekende problemen en vervelende kanten.

Openstaan voor het onverwachte. Dat geldt voor ons luisteren én voor ons spreken. Het geldt voor ons ervaren én voor ons handelen. We horen onverwachte dingen en we hebben onverwachte ervaringen. Wat doen we daarmee? Ook in ons spreken en ons handelen kunnen zich onverwachte wegen voordoen. Durven we die te betreden? Wij zijn een missionaire parochie. Voor gelovigen die missionair willen zijn, zijn dit belangrijke vragen.

Paulus schrijft in zijn brief over de kracht van de zwakte: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.” Het gaat er niet om de ander met kracht van argumenten te overtuigen. Ons eigen zoeken, twijfelen en gelovig stamelen zullen onze gesprekpartner eerder tot nadenken brengen dan stevige leerstellige argumenten en inzichten. Ook Jezus ging er in Nazareth niet met volle kracht tegenaan. Hij genas een klein aantal zieken die Hij de handen oplegde. En Hij ging rond door de dorpen in de omtrek. Daar waar dat kon, gaf Hij de mensen vertrouwen.

Geloven is niet een kwestie van zeker weten hoe het precies zit. Geloven is vooral een kwestie van durven te vertrouwen. Geloven is leven in het vertrouwen dat God ons liefheeft, leven in het vertrouwen dat mensen van elkaar houden en over het algemeen het beste met je voor hebben. Onze eigen zwakheid onder ogen zien betekent dat we weten dat we elkaar nodig hebben, dat we elkaar zoeken om ons geloof met elkaar te delen, om samen in de sacramenten en de liturgie de liefde van God te ervaren.

Zo scheppen we situaties waarin het onverwachte kan gebeuren. Gods Geest waait waar Hij wil. Hij komt uit onverwachte hoek. Juist als wij zwak zijn staan we daarvoor open. Als wij vanuit onze eigen zwakheid naar buiten treden zijn we in staat op uitnodigende en gastvrije wijze onze medemensen tegemoet te treden. De heilige Geest zal ons de woorden geven die nodig zijn. Hij zal ons influisteren wat we moeten doen. Wij zullen onszelf verbazen: Waar heb ik het vandaan? Dan zullen de mensen ervaren en weten – evenals bij Ezechiël – dat wij onze waarheid, onze liefde en ons geluk als een geschenk ervaren en daarin graag anderen laten delen. Amen.

Caritas is genade; 2 Kor 8,7.9.13.15

Paulus roept de gemeente van Korinthe op geld in te zamelen voor de gemeente van Jeruzalem. In vier van zijn brieven schrijft hij over een collecte die hij organiseerde voor de arme gelovigen in Jeruzalem. In het boek Handelingen wordt deze collecte twee keer genoemd.

Wat is er aan de hand? De economische situatie in Jeruzalem is niet rooskleurig. Hoge belastingen en de politiek instabiele situatie maken het leven zwaar. Er is veel armoede. Bovendien lijdt de Kerk onder verdrukking. Hierdoor is het leven voor de volgelingen van Jezus extra moeilijk. Paulus roept op tot onderlinge solidariteit onder de christenen. Er speelt nog meer. Er is sprake van enige spanning tussen de verschillende christelijke leiders, vooral over de vraag of de heidense bekeerlingen niet besneden zouden moeten worden, zoals ook de Joodse christenen besneden zijn. De integratie van heidenen in de Joodse gemeenschap van christenen verloopt niet zonder slag of stoot.

Voor Paulus is er veel aan gelegen aan te tonen dat het één gemeenschap van christenen is, dat alle christenen – Joden en Grieken – elkaar als broeders en zusters beschouwen. Het gaat bij Paulus om de gemeenschap, het welzijn en de solidariteit van de gehele christelijke gemeenschap. De collecte is daar een zichtbare uitdrukking van. Het gaat om meer dan het helpen van armen. De collecte wordt door Paulus gezien als een genadegave. De Nederlandse vertaling kent de woorden ‘liefdewerk’ en ‘liefdedaad’. In het Grieks staat hier het woord ‘charis’ wat ‘genade’ betekent.

De houding van gemeenschap en solidariteit is voor Paulus genade. De bron hiervan is de genade van Christus die zelf arm werd om zijn volgelingen geestelijk rijk te maken. Deelname aan de collecte is een gave van God. Het is een geestelijke zaak. Het is een eredienst aan God en een navolging van Jezus Christus. Je geeft niet alleen je geld, maar ook je hart. Het is een daad van liefde. Gods genade laat de gelovigen deelnemen aan een ‘economie van overvloed’, een economie die alle menselijke relaties binnen de christelijke gemeenschap verandert. Daar waar de heilige Geest werkt, gaat de portemonnee open.

In de tijd van Paulus was geheel belangeloos geven iets nieuws. Je gaf alleen aan anderen omdat je verwachtte ook iets terug te krijgen: voor wat, hoort wat. De christelijke economie van overvloed is geen vorm van socialisme. God geeft mensen materiële rijkdom. Rijkdom is geen kwaad. God wil deze mensen hiermee ook de rijkdom van vrijgevigheid geven. Geven aan een ander maakt een mens rijker. Voor Paulus bestaat er een nauwe band tussen geestelijke rijkdom en de bereidheid om je bezit te delen met wie dat nodig hebben. Het is niet de bedoeling dat wij door anderen te ondersteunen zelf in moeilijkheden raken. Het gaat om geven naar draagkracht. Er moet een zeker evenwicht zijn. Paulus roept op tot een eerlijke verdeling van het bezit. Hij verwijst hierbij naar het verhaal over het volk Israël, dat veertig jaar door de woestijn trekt. Als God hen te eten geeft met manna, krijgt ieder wat hij nodig heeft: niet te veel en niet te weinig.

Voor Paulus was het belangrijk te pleiten voor een inclusief christendom. Geen onderscheid tussen Grieken en Joden en geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onderlinge solidariteit bouwt een gemeenschap op.

In onze tijd staan we voor de uitdaging een wereldwijde gemeenschap op te bouwen. Alle mensen zijn er elkaars broeders en zusters. Dat vraagt een wereldwijde onderlinge solidariteit. Die wereldwijde solidariteit begint dicht bij huis. Ook een wereldwijde gemeenschap vraagt om een fijnmazige netwerk van verbindingen tussen mensen. Omkijken naar elkaar en zonder uitzondering voor elkaar klaar staan vraagt dat je elkaar in de ogen kijkt, dat je elkaar ziet als broeders en zusters. Wereldwijde solidariteit begint in je eigen straat. Amen.